Fragmenten uit mijzelf.

    Menuchim. Menuchim! Sinds de niet-liefdeloze vinger kleine Menuchum beroerde, blijft hij in het bewustzijn naschommelen. Menuchim als adem. Menuchim als rust. Menuchim als zwijgend symbool. Menuchim als een gedicht.

    Al dagen denkt en voelt men één naam. Men handelt vanuit de naam. Men verstaat vanuit de naam, men voelt vanuit de naam… Menuchim. ‘Menuchim’ denkt men steeds! Deze figuur, een licht, tussen gouden en rode acrobaten, Menuchim die blijft, Menuchim die zwijgt, Menuchim die achterblijft, Menuchim die toeschouwt. Menuchim die »Mama« zegt.

    Het licht in Menuchim’s ogen. Menuchim die alsmaar in de dromen verschijnt. De omhelzing met Menuchim als een omarming van een zwijgend symbool. Menuchim!

    Menuchim aan tafel met de orkestrerende glazen. Menuchim die vanuit zijn naam verschijnt.

    Zij wenst zich een mantelpak in het groen van spruitjes. 

    De nijd tussen de spinnen onderling – voor het beste plaatsje. De liefde tussen de spinnen, maar voor wat? Elkaar? De erotiek misschien: wanneer twee spinnen elkaar met de benen omhelzen. Hun benen weten hoe ze moeten liefhebben. Hoe de spinnen verlekkert uitkijken (lees: roerloos geduld uitoefenen) naar fruitvliegjes! De vergissing – wespen! De hoogmoed: meikevers. Het geduld, dito honger, van de spinnen. De dag die in het Oosten aanbreekt: de nacht uitgezift in hun webben. De fijnzinnigheid: de spin kijkt tevreden in haar web als in een spiegel, in haar verwerkelijkte val, haar woonst, haar territorium. Spinnen die geen hoogte kennen. Spinnen als psychiaters aan de sofa. Drie paar benen gekruist, terwijl één been intellectueel aan hun snor punt.

    Het woordenboek valt uit elkaar. De betekenis verscheen amorf en anders, vreemd en plots overal bruikbaar, verzadigd.

    Het woordenboek valt uit elkaar, op alle boekplanken, in alle bibliotheken. Niet meteen had men iets door. De woorden bleef men nog gebruiken tot plots, zelfs voor de spreker, de betekenis niet meer helemaal duidelijk werd, men diezelfde avond nog het woordenboek er op nasloeg en vaststelde – dat er iets was verloren.

    Zolang men sprak was niets verloren. Nergens sloegen kometen in. Het was anders als een steen, die plots door de lucht zoefde en een ruit insloeg. Langzaam drong de koude naar binnen.

    Kinderen begonnen te vragen. Juffrouwen en meesters bleken niet meer in staat te verklaren. Ouders kregen het niet langer uitgelegd. Misschien was er niets gebeurd en verscheen de mensen nu vrijer. Niemand had nog iets te beweren, uit te leggen of te bewijzen. 

    Enkelen zochten op zolder of in oude antiquariaten. Anderen schreven kennissen in het buitenland aan – maar in welke woorden? Hoe langer hoe meer verloren de woorden hun gebruik, hun betekenis. Liefdes- of ontslagbrieven: ze hadden geen zin meer geschreven te worden. Spiekbriefjes of  samenvattingen verloren ieder nut. Mensen konden hun boodschappenlijstjes niet meer ontcijferen en kwamen met andere koopwaren thuis.

    De dingen hadden niets meer uit te drukken. Foutief of over-gebruik? Het apocalyptische einde der tijden in een post-justificeerbare wereld. 

    Gelukkig wist men zich van emoticons te bedienen, kon men zich voortaan middels smileys van elkaar onderscheiden, zowel de filosofen als de kinderen, de slagers als de meesters, de baronnen als de punkers. 

    Hoe meer men zich van elkaar onderscheidde, hoe meer men op elkaar ging lijken. Zo ging men dra allemaal hetzelfde voelen, zodat geen taal meer noodzakelijk was. Zodat geen taal het gemis der betekenis nog kon invullen, zodat er geen gemis meer was. Wat alleen ontbrak was een exhautief woordenboek der smileys, waar iedere smiley tautologisch met zichzelf verklaart werd.

    "Menuchim hatte keine Wiege. Er schwebte in einem Korb aus geflochtenen Weidenruten in der Mitte des Zimmers, mit vier Seilen an einem Haken im Plafond befestigt wie ein Kronleuchter. Mendel Singer tippte von Zeit zu Zeit mit einem leichten, nicht lieblosen Finger an den hängenden Korb, der sofort anfing zu schaukeln."

      - Joseph Roth, Hiob. 

    De stad zonder herinnering. De stad waar alles gebeurt in een heden met als enige betekenis zichzelf. De stad als gebeurtenis zonder herinnering of toekomst. De stad in de eenmaligheid die gebeurt en blijft gebeuren.

    De stad zonder plaatsnamen, waar de straten iedere dag vergeten worden en nieuwe namen krijgen. Namen door de mensen benoemd en in het woord genomen, verduidelijkt en beaamd. Er ontstaat een dagelijkse geografie der namen, om vervolgens de volgende ochtend niets meer te betekenen. Als geeuwde men daar ’s ochtends de naam en de herinnering uit.

    De buren die men iedere dag opnieuw voor het eerst leert kennen. Het ontwaken iedere ochtend in een nieuw leven. De dingen hebben daar hun naam verloren en zijn er in een enkel, niet te onderscheiden zijn versmolten. Kinderen worden tot jongvolwassenen, jongvolwassenen tot mannen of vrouwen. Vrouwen worden zwanger en krijgen op hun beurt kinderen. Of het daar allemaal gebeurt zonder enige betekenis en doel? Allerminst, immers betekenis wordt er iedere dag gegeven. Want men mag men niet vergeten: in deze stad is men eveneens vergeten dat men iets vergeten is.

    Man en vrouw leven er met elkaar samen. Het leven gaat voort en wordt geleefd, ook daar, waar het leven helemaal niet zo verschillend is als bij ons. Mensen die wakker worden naast elkaar gaan er verder mee. Enkelen worden alleen wakker en doen het zelfde. Men pikt vragenloos de draad op waar men zichzelf aantreft. Zeldzame afwijkingen komen voor en gaan daar dan verder mee. Maar is het geen bestaan zoals de eendagsvlieg, want evenmin ervaren deze mensen of hebben er weet van dat iedere avond alles zich opnieuw neerlegt. Wanneer men spreek en deelt merkt men niets. Neen, de dingen voelen daar niet anders of minder oprecht aan als bij ons.

    Dezelfde bonbons. Dezelfde dorst. Dezelfde regen.  

    Er wordt enkel niets gesticht. Het blijft niet plakken – de taal en het heden. Laat staan elkaar. Aan de dingen zitten in deze stad met de lege bibliotheken, ruimtes vol lege boeken en tijdschriften waar niets in staat, geen weerhaken. Iedereen benoemt er zijn eigen dromen en wensen, kortom zijn eigen werkelijkheid, en is gelukkig wanneer men elkaar bevestigt – hoewel het niets anders betekent dan een betekenis die nooit geboren kan worden, want morgen niet meer bestaat.

    Ziekte en dood bestaan daar niet. Evenmin als liefde en teleursteling. Het lijkt misschien zo dat deze mensen zichzelf onmogelijk kunnen uiten, tegelijk is er niets om te benoemen of op te sommen. Waarom zou men twijfelen? Geen angst of teleurstelling, geen uitkijken of toeleven, waardoor een dergelijk onmogelijkheidsgevoel nog eerder ons ten dele valt, dan deze mensen uit de stad zonder herinnering.

    Ja, men wordt er ’s ochtends wakker als naast vreemden, maar doet alsof gemeenschappelijkheid bestaat. Moeders tillen hun kind uit hun bedje, maar herkennen ze deze wel? Misschien een koekoekskind? Het maakt niet uit. Het heden krijgt er een noodzaak, haar enige waarheid zonder vergelijk, het heilige moeten van de verwerkelijking. Een doen zonder twijfel. Alles is hier en nu gegeven en spreekt uit zichzelf. Deze mensen voelen zich net gesterkt door de kracht der eenmaligheid en stellen geen onnodige vragen.

    In deze stad zonder verleden geen verwennerij met twijfel, waar iedereen handen schudt en naar elkaars naam vraagt, breedvoerig praat, elkaar vergeet en opnieuw ontmoet. In de stad waar men naar elkaar luistert zonder belofte en elkaar dingen belooft zonder te luisteren.

    De stad zonder nonkels en tantes. De stad zonder krantenkoppen. De stad zonder brievenbussen.

    Ook daar treft men diepgang. Ook daar heeft men oppervlakte. Soms kijkt men er elkaar doordringend aan en ervaart vervolgens een raadselachtig gevoel. Of men hem of haar al eens eerder gezien heeft? Een uiterst vreemd gewaarworden in ieder gesprek, als het daartoe al komt ten minste. Men ontmoet elkaar zoals de dieren aan elkaar voorbij stappen.

    Of het spreken daar niet eerder een besnuffelen is? Een soort taal tussen woord en adem: woorden niet uitgesproken maar geademd. En iedereen begrijpt ze.

    Tussenin de hoogst interessante gesprekken die in deze stad zich dagelijks herhalen, –immers deze mensen ervaren een indringend verlangen iets uit te spreken en te benoemen, om zo even aan te knopen bij een gedeeld bewustzijn van het woord, de adem, de herhaling–, gesprekken die opnieuw beginnen en nooit helemaal eindigen want nooit ultiem waren begonnen, gesprekken die nooit uitmonden in herinnering of het stichtende van de naam, zweeft één enigma, dat weliswaar niet uitgesproken wordt, maar haar raadselachtige hand op alles legt: de afwezigheid van de eigennaam.

    Mensen stellen zich voor zonder een naam te hebben. Ze doen en handelen, ze geven en doen. De glimlach zonder eigennaam. De puzzelstukjes zonder gezicht. Het leven zonder de zwaartekracht van het eigen raadsel: zonder naam voelen de mensen zich vrijer.

    Niemand verlaat deze stad, want het verlangen naar bestendigheid, dat wat we zouden kunnen begrijpen als ‘betekenis met duur’, wordt daar allereerst niet gevat in een gemeenschappelijke taal van betekenis, vervolgens, mocht het als zodanig toch gearticuleerd worden in leestekens van adem, is het de volgende dag opnieuw opgelost in de vorm waarin het verscheen, verdwenen in haar verschijnen waarin het bestond. Het ontbreekt iedere referentie en de duur van het teken, het symbool.

    Wil men deze mensen nog het meest begrijpen moet men in hen datgene zien wat men niet ziet, maar alles verklaart: ze lijken naar elkaar zeepbellen te blazen. Intiem over elkaar op café. Sommigen uit het venster. Anderen op een kruispunt aan de straat. Sierlijk en gevoelig spreekt en praat men, ijl en vluchtig vergaat voor deze mensen heden in haar sierlijk- en gevoeligheid.

    Het zijn dezelfde puzzelstukjes. Het is een kortere, vluchtere vorm van gevoeligheid. Misschien zoals de bomen het licht omhelzen. Misschien zoals het licht in omhelzingen met de oogleden gesloten, in deze stad, die genoeg verandering in zichzelf heeft om altijd dezelfde te blijven.

                  30 oktober 2019, Daringman

    Hij sloeg een kruis en telde alle engelen in één amen. 

    Het gevoel de dagen zonder inspiratie te moeten doorbrengen, een kijken zonder aanknopen, de dingen zonder weerhaken, alles stroomt door je. Niets sterft in jou. Dat blijvende voortbestaan zonder verandering is dodend, heden, niets kan in jou vergaan en in jouw vergaan bestaan als met gouden vleugels. Kippenval als met gouden vleugels… Kort geroerd door de onmogelijkheid geroerd te worden… Bestaan in Buchstaben van uitstel. Zelfs steen brokkelt sneller af dan dit dunne heden dat niet lijkt te vergaan en daarom zo ongrijpbaar vluchtig is.

    Peptalk. Misschien voeren alle foute, kleine beslissingen uiteindelijk tot één goede ervaring en begin, en komt het er op aan verkeerdelijk te beslissen. 

    Terwijl je vleugelloos was, keerde je met het licht van de avond huiswaarts. De avond en het licht, ze ontmoetten elkaar verder in herinnering. Een avond zoals je een boek openvouwt. Een boog fijne, duikende pagina’s, bijna dansend, één voor één in hun eigen worden doorprikt aan licht, vallend-opgespannen doorzichtig. De avond viel en trok zich tegelijk recht zoals een boek zich opspant. Licht is zonder zwaartekracht. Licht is vrij. Licht is als herinnering.

    In de herinnering haar worden ontvouwt de avond haar kleuren zoals een boog aan papieren pagina’s. Bestaan – zonder vallen. In op- en ontspannen. In haar eigen dans en zwaartekracht. In haar eigen, enig worden, willekeurig-onwillekeurig tot de perfectie van één geopende pagina.

    Wat daarop geschreven staat? Hoeveel boeken men van de boekenplank van de avond neemt en uit hemels en uitzichten voorleest? Over kleuren die verkleuren en verdwijnen dat vergaat? Iedere herfst opnieuw verschijnen de altijd plotse maar onverwachte ganzen in V-formatie aan deze, uit het boek van de kindertijd, opgespannen hemel, sierlijke leestekens op papier, terwijl men verder uit deze plots geopende pagina leest, over op de speelplaats ten hemel wijzende schoolkinderen die alle ostentatief uitroepen: »Ganzen!«

    Collectieve getuigen van het Zijn op kindermaat. Als verscheen een meteoriet aan de hemel, stonden alle kinderen met hun nekken naar boven te kijken, wijzend naar de voorbijvliegende ganzen, met in hun bewegend zenit die exemplarisch voortschrijdende V-form. En heel de dag op de schoolbanken was je slechts één voor-zich-uitstarende gedachte: de ganzen en hun vliegen…

    Een omgekeerd kompas! Ach, niet hun richting, niet hun bestemming in het warme, voorgestelde onvoorstelbare Zuiden, maar hun moeten, hun doen, hun verwerkelijking. Hun gebeurtenis. De ganzen verschenen, de ganzen gebeurden – plots voelde je zo dun het heden. Ze vergingen niet. Ze duurden verder in je. Terwijl je vervolgens vleugelloos op de schoolbanken zat vlogen en vlogen ze, en met een voelen dat ontroering nabij kwam, een kinderlijk wenen, een eerlijk wenen, een wenen waarin je even alles voelt en vasthoudt, een wenen zonder te wenen, dacht je aan hen, hun gevederde fijne borstkas, hun vleugels en hun poten – het stipje in hun ogen. Het breekbaar wezen van de dieren. Hun bestaan.

    De pagina helt over en trekt de avond opnieuw recht in haar heden, herschikt haar kleuren en verschijning. Ridderachtige rozebottel aan de struiken verleent bescheiden voltooiing. De bomen in hun herfst zijn zwijgzame toeschouwers. Misschien wijzen zij ostentatief met hun vallende bladeren de eenzame wandelaar aan, zoals de kinderen eens op de speelplaats naar de ganzen aan de hemel. De wandelaar die evenzeer de herfst verkent. En terwijl je vleugelloos was en met het licht van de avond huiswaarts keerde, wanneer de wind zachtjes briest in het geel-rood-geel, weerklinkt een volwassen echo vochtig in het bos: »Ganzen!«

                                Hochsauerland, 21 Oktober 2019