Fragmenten uit mijzelf.

  Ergens waar men slaapreizen maakt. Deze mensen bezoeken de meest verafgelegen oorden, slechts om er te slapen. Stranden, zwembaden, zonsondergangen of cultuur -- in niets van dat alles is men geïnteresseerd. Zij reizen er slechts - om te slapen. 

  Vreemde continenten en exotische schiereilanden, Marco Polo’s van de slaap, oriëntalistisch spoorverkeer naar het verre schijnslaperige, een verlangd slapen van de ziel als Japans keramiek, het jezelf in je dromen leggen als in een Canadees herfstwoud, of een slaap als narcose onder trage Spaanse nachtmuziek.

  Deze mensen willen elders onder een vreemd gesternte inslapen, dromen - en tot het eind van hun vakantie niet wakker worden. Ook slaaproutes ontstaan er, voor pelgrims, die dagelijks van hut tot hut tot hangmat wandelen, langzaam het vreemd gebergte van de slaap beklimmen, ze doorkruisen dalen en bewandelen bergpassen, slechts om een slaap op berghoogte te doorleven.

  Een Duitser trekt naar Sint-Petersburg en slaapt er Russische dromen. Latino’s usurperen de Europese rust, slechts om er Europees te kunnen slapen. Een eskimo trekt naar Thailand om zich bij een Thaise oma in slaap te laten wiegen. De hele industrie en het toerisme is er ingericht op een ontvangst van slaap. Tot de avonturiers horen diegenen, die naar woestijnen en polen trekken, slechts om zich naast een cactus of in een iglo te rusten te leggen.

  Is het misschien de gewoonte van de slaap, die je vergeet, zodra je in vreemde zeden rust, en zo opnieuw de slaap, die eerste slaap, slaapt? Is het misschien het soort droom, dat je droomt, in een Aziatische slaap, een Noorse slaap, een Mongoolse slaap? Deze mensen weten het zelf niet - ze willen het slechts beslapen. Slapen wordt daar alleszins als ervaring begrepen, en valt voor ons misschien nog het best te begrijpen met wat wij onder een maretak verstaan. Wablieft? Slaap als een maretak? Jazeker, als een soort extern groeiend leven in het eigen loof.

  Reizigers komen uitgeslapen terug, vaak met verslaapt gezicht en een continu geeuwen -zoiets als zonnebrand bij ons- en pochen met hun zopas genoten all-in-slaapvakantie. Vaak tot nijd van de armen, die zich tevreden moeten stellen met hun jaarlijks slaapverlof aan de grijze kust.


     Uit: Wo(o)rden, mijn Berlijnse dagboeken. 5 Februari 2015.

    Hij zuigt alle engelen in dit heden uit zijn sigaret. 

    Ergens waar de mensen niet slapen, maar honing in de ogen smeren die hen de zoetste dromen schenkt. 

    Hij sterft niet, maar wordt om de tweehonderd jaar even wakker.  

    Iedere ochtend, exact negen minuten na zonsopgang, worden de vliegen wakker. 

    Macho’s met mondmasker.

    Buurvrouwtje is achtentachtig jaar. Helaas mocht zij geen afscheid nemen van haar vorige week gestorven levensgezel. Zestig jaar huwelijk eindigt geblinddoekt. Tja, de oudjes begrepen onze hedendaagsheid met beeldschermen al lang niet meer.

    Nochtans waren de lichamen –het dode en het levende, wel te verstaan– slechts twee kilometer van elkaar verwijderd. Een verbod haast uniek in de geschiedenis. Het is geweten dat het leven op de gezegende leeftijd van negentig jaar weinig zekerheden kent, behalve dan net de onherroepelijke komst van de dood. Maar dat het leven zo moest geschieden?

 

    Is niet de grootte van deze daad te groot voor ons? (…) Dit ongelooflijke gebeuren is nog onderweg. Bliksem en donder hebben tijd nodig, het licht der gesternte heeft tijd nodig, daden hebben tijd nodig, ook nadat ze gedaan zijn, om gezien en gehoord te worden! Deze daad is nog steeds verder van hen af dan de verste gesteenten - en toch hebben ze haar zelf verricht!

 

    Buurvrouwtje weduwe kan haar kinderen niet ontvangen. Na de begrafenis was het ook al recht naar bed. Geen koffietafel. Geen bezoek. Geen troostende arm. In haar geval: armen. Telkens twee per zes kinderen. Maakt in totaal twaalf schouders. Geen uithuilen. Een telefoontje op de vaste lijn kan wel. Want hoe zat dat weer met die beeldschermen?

    “Logisch”, “Natuurlijk”, “Ja ja ja, ik begrijp het wel.” Keer om keer verzekert vrouwtje buurvrouw het in de hoorn. Met zachte stem. Zij weet wel dat het niet aan haar ligt. Om te beschermen. Was het niet zoiets? Maar van wat moeten we ook al weer beschermd worden? Of voor wie? Hoezo, oma voor wie? Ja ja ja, hoe zat het ook al weer? Oma wordt al oud. Ze begrijpt de dingen niet meer zo goed.

    Iedereen begrijpt het. Alleen buurvrouwtje weduwe niet. Zoals haar kleinzoon Joeri swipend communiceert, praat iedereen met eenzelfde onbegrijpelijke vanzelfsprekendheid over blijf-in-uw-kot. Mijn moeder zet eitjes aan haar deur. Attent toch? Het is het gewoonste normaal. Geen gedachte aan vuil maken. Behalve de deurklink eens extra ontsmetten. Zelfs de overheid zet strakke marketingcampagnes op. De kinderen zijn helemaal mee en leven zich uit in knotsgek bedachte filmpjes. Jeetje, wat een geluk dat we nu internet hebben.

    Dat er misschien een verband tussen de twee zou bestaan? Buurvrouwtje, te gek voor woorden. Wat klets je nou?

 

    In een disciplinerend systeem is het kind meer geïndividualiseerd dan de volwassene, de zieke meer dan de gezonde mens, de gek en de delinquent meer dan de normale en niet- delinquente mens. In onze beschaving zijn de disciplinerende mechanismen in ieder geval op de eerstgenoemden gericht; en wil men de normale, gezonde, wetgetrouwe volwassene individualiseren, dan vraagt men hem wat er van het kind nog in hem zit, welke verborgen gekte in hem schuilt en welke ernstige misdaad hij zou willen begaan.

 

    Joeri, het negenjarig kleinzoontje van vrouwtje buurvrouw, die steeds met verschrikte ogen naar haar aangeplakt gebit kijkt, plaatst na de op-anderhalve-meter-plaatsvindende begrafenis zijn duimen op zijn smartphone en staat in verbinding met de wereld. Geen koffietafel. Tijd om de zetel in te ploffen! Verleden week zag hij Greg Van Avermaet winnen in een digitale wielerwedstrijd. Grappige nickname. Het zijn prachtige tijden voor een kind. We hoeven alleen de knopjes te bedienen en staan in contact met het universum. Het lichaam is overbodig. Toch maar een verzameling aan slecht nieuws. Zien we genoeg in het nieuws. Te bestaan zonder te bestaan – daar ligt de toekomst. Eén vingerafdruk volstaat. En af en toe het toetsenbord desinfecteren. Joeri begrijpt het allemaal zonder het te begrijpen: hij logged in.

    Het kind in Joeri is geen kind meer. Paardje rijden op de schoot van oma? Alsjeblieft zeg. En dan nog dat beangstigend paardengebit. Jakkes. Joeri zegt, dat uit angst voor het onzichtbare we thuis blijven. Dat heeft Joeri, die in de uren na de begrafenis zijn playstationverslaving bijwerkt, goed begrepen voor zijn leeftijd. Een pienter kereltje. Toch het onzichtbare is erg zichtbaar: op straat in iedere andere. Enkel online, daar waar de Greg van Avermaets meester zijn, is het leven eerlijk: zonder lichaam.

    Moderniteit is de vijand in jezelf hebben. Of nu de taal, de geschiedenis, de maatschappelijke structuren of het lichaam zelve. Een citaatje Foucault staat altijd goed. Nietzsche die de horizon uitwist: kenden we al lang. Maar een dystopisch scenario waar dochters en zonen hun eenzame ouders uit naastenliefde niet meer bezoeken, dat hadden we even niet zien aankomen.

                Welke verborgen gektes of misdaden er nog in Joeritje zouden zitten? Jongen, antwoord mij eens. Want het is nu dat je moet beslissen. Niet wanneer je spelletjes voorbij zijn. Wat is het grootst: onze angst voor het leven of onze angst voor de dood?

    Tot we zo veel van elkaar houden dat we elkaar in eenzaamheid gevangenhouden. Tot we ons zo hard van elkaar proberen te onderscheiden dat we slechts nog op elkaar gelijken in die ene vorm van liefde die we kennen: we bewaren elkaar. Uit vrees voor elkaar. Oma’tje buurvrouw begrijpt het wel. Alleen kan zij het niet meer zo goed uitleggen.


   Er is iemand die brieven naar oorden schrijft. Brieven naar de achtertuinen waar hij als kind speelde. Brieven naar de groenblauwgroene Aare in Zwitserland waarin hij vorige zomer zwom. Brieven naar de zandkastelen van vroeger. Of brieven naar die oorden, die hij slechts uit moeders vertellingen herinnert.

   Mens noch gezicht die hij aanschrijft, laat staan een naam die anders alle gedachten en intenties gravitetisch tot zich nodigt. Neen, het zijn brieven gericht naar plaatsen en oorden. Misschien ook maar slechts een brief naar die ene notenboom in een Duits binnenhof, of wanneer het niet anders kan een brief geadresseerd in coördinaten.

   Zijn brieven naar plaatsen die niet bestaan. Zijn brieven naar plaatsen die niet meer bestaan.

   Hoeveel van zijn brieven nooit aankomen? Hoeveel van zijn brieven niet gelezen worden? Hoeveel van zijn brieven – niet begrepen worden? Zijn brieven –als ze al aankomen tenminste, want meestal zijn zijn bodes eerder verward, veelal vertrouwd met het feit dat een brief allereerst, of beter gezegd uiteindelijk, aan de teleologie van een naam is opgedragen– zijn nog het meeste zoals een duif ze overbrengt. Ze gaan recht naar plaatsen.

   Zijn brieven naar de ogen van zijn buurvrouw. Zijn brieven naar een ooievaarsnest in Tarifa. Zijn brieven naar de buikholte van blauwe walvissen. Zijn brieven naar Islamitische minaretten - daar waar slechts een stem woont. Zijn brieven naar die ene hangmatplaats in de olijfboomgaard in ochtendlijk paars licht. Zijn brieven naar het verloren doosje met kinderlijke melktanden. Zijn brieven naar het kuiltje in de kaak van zijn nichtje. Zijn brieven naar de schuilplaatsen van vroeger, wanneer men hem bij Katteke-Wuif nooit terugvond. Zijn brieven naar die plaatsen, waaraan hij de herinnering probeert te bewaren.

   Een brief naar een rode tweepersoonsbank: een brief naar zijn eerste kus. Zijn brief naar een vriend zijn holle kies: goedbedoeld vulsel. Op reis sommige brieven naar zijn achtertuin: vergeefs voedsel voor de kippen. Of zijn brieven naar de stad Aalst – zijn inktvlekkerige, onbruikbare brieven, bestemd voor confetti.

   Zijn psychiatrische brieven: daar waar de zon ondergaat. Zijn onmogelijke brieven: brieven naar Saturnus. Brieven naar wijngaarden: dronken dankbetuigingen! En die plaatsen die hij zich van in zijn kindertijd herinnert – geschreven in aparte taal.

   Hij herinnert niet, maar schrijft het aan. Het is zijn manier van bewustzijn. Ook de toekomst verschijnt voor hem anders, wanneer hij plaatsen aanschrijft waar hij nog nooit geweest is, aldus hemzelf of een ontmoeting aanmeldt, en hij zo zijn aanwezigheid reeds manifesteert. Het is zoals men in een gesprek een naam van een onbekende vermeld. Alleen is er geen gesprek. En al helemaal geen naam. Slechts de omstandigheid – die hij in zijn brieven aan het leven aanreikt.


     Uit: Tussen Mars en de Maan (2016)

    Steden waar men elkaar geen hand geeft. Meer nog, deze mensen mijden er zelfs alles wat de eigen handen vastnemen. Zij hebben een diepe, lichamelijke afkeer van alles wat door de handen gaat. Eigenlijk zijn armen er een overbodig ledemaat.

    Zo wordt de overdracht van goederen of voorwerpen –een geschenk, geld, een aankoop– via handen daar vermeden. Indien het dan echt moet, iets vastnemen, wordt het allereerst neergezet. Tot ze vervolgens haast over hun nek gaan en het ding met afschuw vastnemen als betrof het een dood dierenlichaam.

    Wat je daar wel ziet, en je kent deze beelden van twintigste-eeuwse stuntmannen bij ons, zijn arbeiders die een treinwagon met hun tanen voorttrekken. Zoiets kan natuurlijk wel. Beslist, je vindt daar slaven met een machtig, ijzersterk gebit.

    Omdat men daar van letterlijk alles wat de handen vastnemen vies is, hebben deze mensen een persoonlijke perimeter ontwikkelt waarbinnen ieder vrijelijk ageert. Ongeveer zoals Da Vinci het met de Vitruviusman reeds optekende, leeft men daar in een universele, meetkundig perfecte afstandelijkheid. Het is de diameter van ieders handbereik. Wees gerust, daarbinnen wagen anderen zich niet. Men noemt het daar ‘het Aura’.

    Hoe de mensen daar communiceren? Anders dan met handdrukken of de expressieve gebaren van een Italiaans handelaar heeft men daar een nieuwe communicatievorm ontwikkelt. Zo knipperen zij eens extra met de ogen. Deze mensen hebben namelijk een nieuwe soort taal aan wimperslagen uitgevonden. Zeg maar morse met de oogleden.

    Plots sta je er tegenover een vreemde zoals twee dieren plotseling elkaar tegenkomen. Even verroert men niet. Intuïtief valt een angstige, eerste blik op die handen. Vervolgens bekijkt men nauwkeurig elkaars ogen. Beter gezegd: wimpers en oogleden.

    Een bibberend ooglid, één scheel oog, een zwaluwslag met de wimpers. Wat het te beteken heeft? Deze mensen wisselen een zorgvuldige, gereserveerde taal uit en begrijpen elkaar vanop veilige afstand. Eén detail kan beroeren. Eén wenk volstaat. Enkel vijandschappen schudden er elkaar de hand.

    Zo hebben zij zelfs en telescoop ontwikkelt die ze zonder handen kunnen bedienen. Ongeveer iets als een mondharmonicabeugel, diens scherpte deze mensen bijstellen met slechts het fronsen van de wenkbrauwen. Zo observeren zij in microscopische precisie elkaars minutieuze ogentaal. 

    Een mopje! Iets schattig. Een gore opmerking. Verliefde blikken. Dyslectische pupillen. Zakelijk gepraat. Het gaat allemaal via de ogen en deze mensen hun wimpertaal. Een stotteraar? Iemand die een wimper verloor. 

    Ontmoetingen daar als stond men aan weerzijden van een deur en gleurde men door het sleutelgat. Zo kijkt men elks door zijn telescoop in de ander zijn ooglid. Dat noemt men daar een onderonsje, ongeveer op anderhalve meter.van elkaars Aura. 

    Enkelen houden daarbij zelfs een potlood in de mond en noteren vervolgens de coördinaten van elkaars oogleden. Iets zoals sterrenkaarten bij ons. Dichters die zo juffrouwen hun ogenbruin beschrijven.

    Daarom geen bedelaars daar met gestrekte hand, maar enkel met wijdgeopende oogleden. Trouwceremonieën –het ja-woord— als zeven keer horizontaal met de ogen knipperen. Opgelet, want zeven keer rondjes met de pupillen in tegenwijzerzin draaien betekent iets anders: Tournée générale. Verliefden die elkaar nooit aanraken. Hoe men er voortplant? Tja, men weet het niet.

    Vrouwen worden er niet aangerand. Tenzij met beledigend oogcontact. Geweld kent daar andere, handvrije vormen. Zij zijn er letterlijk vies van alles wat de handen passeert. Eten? Het liefst staat men voor zijn ontbijt happend aan de fruitbomen. Of men drinkt er zoals de dieren uit plassen en rivieren, zo vermijdt men het helaas noodzakelijke. Geen schouderklopjes. Geen gevechten.

    Zichzelf met de voeten bedienen kan natuurlijk ook. Je vindt daar vast wel enkelen die handig genoeg zijn om een taart met hun tenen en een groot mes aan te snijden. Het schijnt dat in deze steden zelfs uit het staartbeentje van sommige inwoners opnieuw een staart is gegroeid, waarmee zij zich bedienen. Survival of the fittest. Daar is niets mis mee.

    Schrijven? Neen. Of in een kraaienpotengeschrift met de tenen. Dat verklaart iets van de krabbelige, onleesbare brieven die men eens uit deze streek ontving. Doet het een belletje rinkelen? Juist ja, daar kwamen die vreemde brieven dus vandaan. Vertellen kan daar wel natuurlijk. Toch het spreken is het mooist wanneer het met de ogen gebeurt.

    Deze mensen hebben zichzelf opnieuw uitgevonden, of alleszins hoe ‘menselijkheid' zich manifesteert. Geen dieven met koevoet. Geen politie met matrakken. Geen koks met een grote soeplepel. Geen kinderen die in de herfst bladeren verzamelen. Geen schelpjes op het strand. Geen overwinnaars die triomfantelijk de beker in de lucht steken. Geen pianostemmers. Geen vaandeldragers. Geen vlindervangers. Geen dokters met spuiten. Geen rozenverkopers die breedlachend met hun boeket het café binnenvallen. Tenzij allemaal in alternatieve versies met voeten of staart.

    Het is vreemd hoe alles in deze steden is geworden. Hoe deze mensen, deze cultuur, zich heeft ontwikkelt? Zoals vermoedelijk alles in de geschiedenis: noodzakelijk geworden toeval. Echter enkele historici en antropologen menen dat deze mensen hun diepe afschuw tegenover de handen mogelijks uit het feit ontspruit, dat zij nooit wc-papier ontwikkelt hebben.

    Kennis - of ontvankelijkheid voor wat begrepen wil worden? 

    Agnamimni is een land waar wonden geheeld worden door ze toe te fluisteren. Fluisteren is daar geen eigenschap van het spreken, fluisteren is er een wijze van zijn. 

    Moeders zijn er fluister-nympfen en verpleegsters hebben daar scholing in de anatomie en fonetiek van het fluisteren gekregen. Het is een soort Zorg, het fluisteren. Iedereen verstaat daar wel ergens deze kunst en kunde van het fluisteren. Ieder op zijn manier. Want fluisteren is helemaal anders dan zomaar taal. Een dier, dat fluistert? Dat kunnen deze mensen zich niet voorstellen. Fluisteren is wat mensen doen. Spreken doet men daar zo stil dat men iedere lettergreep hoort komen en gaan. Begroet men elkaar in Agnamimni, schudt men met reserve de hand, gaat voorzichtig met de lippen richting de oren en begint men vervolgens haast onhoorbaar zijn naam te fluisteren. 

       Uit: De Schoenen van de Sultan.