Fragmenten uit mijzelf.

    Zoals de slaap in sommige dieren zijn. Ach die diepe, ene slaap even nabij komen! Het verlangen van de kinderen, de slapende dieren even aan te raken... Want in de tegenwoordigheid van slapende dieren heeft het moment altijd iets broos en integer. De ademende longen van een engel in de kamer. 

    Hoe verschillend de dieren ook zijn, van schubdieren in Australië tot antilopen in Mongolië of de poes aan haard, zo gemeenschappelijk zij die ene slaap hebben. De onvergetelijke vrede in dat ene gezicht.

    Ja, dieren kunnen gelukkig zijn. Toch dieren glimlachen niet. Maar niets is zo roerend zoals een dier in de slaap glimlacht.

    Hij wil leven zoals de dieren slapen.

    De angst voor het benoemen. De angst niet voor het woord, maar het bewoorden.

    Men durft niet te proberen, semantisch te proberen… Dit precaire handelen in de taal, deze angst voor volwassenen, het gaat niet over van bruggen springen of bergen beklimmen, maar zoals een kind spoken onder zijn bed hoort en uiteindelijk bang door één geopend oog loert: de afwezigheid bevestigt enkel dat ze er dààr niet zijn; zo voelt men zich ook, stelt men plots vast dat de taal niet kan benoemen. Of wel kan, maar »ik« niet. Men kan de waarheid over zichzelf niet uitspreken.

    Men zegt “Ja” in de kerk. “Ja”, dat kan een mens nog uitbrengen. Of “Nee”. Oscillair voelen zoals de schouders optrekken: leven tussen onverschillig goedkeuren en gewetenloos afkeuren. “Ja”: een afwezig affirmatief. Een bange echo, een flets bevestigen dat dat wat is alleen maar goedkeurt. Maar niet uitspreekt. Wie zou moeten spreken om te trouwen, zou niet trouwen – want heeft de ernst van de leugen ingezien. De leugen? Men kan de waarheid over zichzelf niet uitspreken, en omdat men niets heeft gezegd, niets meer dan slechts een “Ja”, komt ‘spreken’ in een huwelijk hoogstens voor wanneer men gaat scheiden: dan ervaart men deze angst voor het benoemen. Het semantische handelen.

    ‘Ah deze angst?’ De angst voor de woorden en wat ze stichten. Angst voor daden en hoe één handelingen, tenminste eens uitgesproken, zou kunnen kwetsen. Want wat men uitspreekt is er niet. Het ligt niet open op tafel of blijft als een sleutel in het sleutelgat. Het blijft als een afspraak tussen twee mensen. Daar bestaat het – nergens en overal in het geweten dat tussen twee mensen ontstaat. Daar leeft het verder – altijd en durend in het geheugen waar niets vergaat. Wanneer het spreken ontstaat. Wanneer men benoemt. 

    Uitspraken gebeuren niet. Zij duren

    Kon men niet altijd “Ja” zeggen?

    Jozef K. wordt een op een dag aangeklaagd voor iets wat hij nooit zal weten. Plots staat een vreemde naast het bed. Maar het proces is ondoorgrondelijk. Hoe verder hij peilt, niemand vindt zijn weg nog terug in deze rechtbank. En hoe dieper hij graaft, des te onmogelijker verder leven wordt – in het benoemen.

    Hij hield één mug gevangen om 's winters aan de zomer herinnert te worden. 

    Monsieur Ciney ligt een jaar onder de grond. Een Russische begrafenis in Brussel. Toch verwacht men nog steeds zijn gouden intrede, zo, als kon hij dadelijk aantreden – die gouden binnenkomst! Horloges en wimpers staan even stil. Eén trillende stok draagt in bang afwachten zijn hele gewicht. Een zaligmakend gezicht buiten de tijd, zijn kijken dat niets lijkt te zien in een boven de snelheid verheven langzaamheid die het leven dankbaar even onderbreekt.  

    Ziet de stamgast hem door de deuropening verschijnen, ja, waant die zich met één been buiten de tijd. Dankbaar, voor zijn aanwezigheid.

    Monsieur Ciney van Russische komaf, die iedere keer trots zijn afkomst voor het eerst vermeldde. Monsieur Ciney met glycoomblauwe ogen als winterse hemels in Sint-Petersburg. Ogen zoals een kind en zijn ballon. Hij trilde en schokte zoals een locomotief op de sporen. Het was geen verzetten tegen de het voortschrijden, maar het inslaan van die ene laatste weg die keuzeloos tussen woning en café lag, waar de stamgast hem mocht verwachten.

    Monsieur Ciney, een Russische echo begraven in Brussel. Monsieur Ciney, die in dementerende aaibaarheid altijd hetzelfde vraagt. Monsieur Ciney met trillende, saluerende hand. Monsieur Ciney -een ontmoeting met de hemel- die mij nooit vergat. 

         Brasserie Verschueren, Brussel. 

    Wat is er veranderd – sinds wij hoger dan de vogelnesten slapen?

    Eén uur voor zonsondergang, iedere dag opnieuw, worden de kalkoeken ongeduldig. 

    Verleden kent ons niet
    Terwijl wij wenkend-zwaaiend
    Op herkenning hopen.

    Wat bestaat is de weg naar het volgende drama
    Het wenkt wanneer we onze nestels knopen, tijd strikkend
    Heden slaat men met heden kapot.

    De volgende keer is eens in nu
    Dat al bestaat
    Terwijl het wenkt en wuift naar ons

    En wij het niet herkennen.

    We verlaten elkaar
    Terwijl we elkaar verlaten
    Wij, de verlatensten van alle verlatenen,
    Toen het moment ons verliet
    En al verloren had

    Toen we naar elkaar wuifden. 

        Uit: Eigen voedsel. 

    Menuchim. Menuchim! Sinds de niet-liefdeloze vinger kleine Menuchum beroerde, blijft hij in het bewustzijn naschommelen. Menuchim als adem. Menuchim als rust. Menuchim als zwijgend symbool. Menuchim als een gedicht.

    Al dagen denkt en voelt men één naam. Men handelt vanuit de naam. Men verstaat vanuit de naam, men voelt vanuit de naam… Menuchim. ‘Menuchim’ denkt men steeds! Deze figuur, een licht, tussen gouden en rode acrobaten, Menuchim die blijft, Menuchim die zwijgt, Menuchim die achterblijft, Menuchim die toeschouwt. Menuchim die »Mama« zegt.

    Het licht in Menuchim’s ogen. Menuchim die alsmaar in de dromen verschijnt. De omhelzing met Menuchim als een omarming van een zwijgend symbool. Menuchim!

    Menuchim aan tafel met de orkestrerende glazen. Menuchim die vanuit zijn naam verschijnt.

    Zij wenst zich een mantelpak in het groen van spruitjes. 

    De nijd tussen de spinnen onderling – voor het beste plaatsje. De liefde tussen de spinnen, maar voor wat? Elkaar? De erotiek misschien: wanneer twee spinnen elkaar met de benen omhelzen. Hun benen weten hoe ze moeten liefhebben. Hoe de spinnen verlekkert uitkijken (lees: roerloos geduld uitoefenen) naar fruitvliegjes! De vergissing – wespen! De hoogmoed: meikevers. Het geduld, dito honger, van de spinnen. De dag die in het Oosten aanbreekt: de nacht uitgezift in hun webben. De fijnzinnigheid: de spin kijkt tevreden in haar web als in een spiegel, in haar verwerkelijkte val, haar woonst, haar territorium. Spinnen die geen hoogte kennen. Spinnen als psychiaters aan de sofa. Drie paar benen gekruist, terwijl één been intellectueel aan hun snor punt.