Fragmenten uit mijzelf.

    Steden waar men elkaar geen hand geeft. Meer nog, deze mensen mijden er zelfs alles wat de eigen handen vastnemen. Zij hebben een diepe, lichamelijke afkeer van alles wat via de handen gaat. Eigenlijk zijn armen er een overbodig ledemaat.

    Zo wordt de overdracht van goederen of voorwerpen via handen –een geschenk, geld, een aankoop– daar vermeden. Indien het dan echt moet, iets vastnemen, wordt het allereerst neergezet. Tot ze vervolgens de neus ophalen en het ding met afschuw vastnemen als betrof het een dood dierenlichaam.

    Wat je daar wel ziet, en je kent deze beelden van twintigste-eeuwse stuntmannen bij ons, zijn arbeiders die een treinwagon met hun tanen voorttrekken. Zoiets kan natuurlijk wel. Je vindt daar slaven met een machtig, ijzersterk gebit.

    Omdat men daar van letterlijk alles wat de handen vastnemen vies is, hebben deze mensen een persoonlijke perimeter ontwikkelt waarbinnen ieder vrijelijk ageert. Ongeveer zoals Da Vinci het met de Vitruviusman reeds optekende, leeft men daar in een universele, meetkundig perfecte afstandelijkheid. Het is de diameter van ieders handbereik. Wees gerust, daarbinnen wagen anderen zich niet. Men noemt het daar ‘het Aura’.

    Hoe de mensen daar communiceren? Anders dan met handdrukken of de expressieve gebaren van een Italiaans handelaar heeft men daar een nieuwe communicatievorm ontwikkelt. Zo knipperen zij eens extra met de ogen. Deze mensen hebben namelijk een nieuwe soort taal aan wimperslagen uitgevonden. Zeg maar morse met de oogleden.

    Plots sta je er tegenover een vreemde zoals twee dieren plotseling elkaar tegenkomen. Even verroert men niet. Intuïtief valt een angstige, eerste blik op die handen. Vervolgens bekijkt men nauwkeurig elkaars ogen. Beter gezegd: wimpers en oogleden.

    Een bibberend ooglid, één scheel oog, een zwaluwslag met de wimpers. Wat het te beteken heeft? Deze mensen wisselen een zorgvuldige, gereserveerde taal uit en begrijpen elkaar vanop veilige afstand. Eén detail kan beroeren. Eén wenk volstaat. Enkel vijandschappen schudden er elkaar de hand.

    Zo hebben zij een telescoop ontwikkelt die ze zonder handen kunnen bedienen. Ongeveer iets als een mondharmonicabeugel, diens scherpte deze mensen bijstellen met slechts het fronsen van de wenkbrauwen. Zo observeren zij in microscopische precisie elkaars minutieuze ogentaal. 

    Een mopje! Iets schattig. Een gore opmerking. Verliefde blikken. Dyslectische pupillen. Zakelijk gepraat. Het gaat allemaal via de ogen en deze mensen hun wimpertaal. Een stotteraar? Iemand die een wimper verloor. 

    Ontmoetingen daar, als stond men aan weerzijde van een deur en gleurde men door het sleutelgat. Zo kijkt men elks door zijn telescoop in de ander zijn oogled. Twee mensen in een onderonsje, ongeveer op anderhalve meter.  

    Enkelen houden daarbij zelfs een potlood in de mond en noteren vervolgens de coördinaten van elkaars oogleden. Iets zoals sterrenkaarten bij ons. Dichters die zo juffrouwen hun ogenbruin beschrijven.

    Geen bedelaars daar met gestrekte hand, maar wijdgeopende oogleden. Trouwceremonieën –het ja-woord— als zeven keer horizontaal met de ogen knipperen. Verliefden die elkaar nooit aanraken. Hoe men er voortplant? Tja, men weet het niet.

    Vrouwen worden niet aangerand. Tenzij met beledigend oogcontact. Ja, geweld kent daar andere, handvrije vormen. Zij zijn er letterlijk vies van alles wat de handen passeert. Eten? Het liefst staat men voor zijn ontbijt happend aan de fruitbomen. Of men drinkt er zoals de dieren uit plassen en rivieren, zo vermijdt men het helaas noodzakelijke. Geen schouderklopjes. Geen gevechten.

    Zichzelf met de voeten bedienen kan natuurlijk ook. Je vindt daar vast wel enkele die handig genoeg zijn om een taart met hun tenen en een groot mes aan te snijden. Het schijnt dat in deze steden zelfs uit het staartbeentje van sommige inwoners opnieuw een staart is gegroeid, waarmee zij zich kunnen bedienen. Survival of the fittest. Daar is niets mis mee.

    Schrijven? Neen. Of in een kraaienpotengeschrift met de tenen. Dat verklaart iets van de krabbelige, onleesbare brieven die men eens uit deze streek ontving. Doet het een belletje rinkelen? Juist ja, daar kwamen die vreemde brieven dus vandaan. Vertellen kan daar wel natuurlijk. Toch het spreken is het mooist wanneer het met de ogen gebeurt.

    Deze mensen hebben zichzelf opnieuw uitgevonden, of alleszins hoe ‘menselijkheid' zich manifesteert. Geen dieven met koevoet. Geen politie met matrakken. Geen koks met een grote soeplepel. Geen kinderen die in de herfst bladeren verzamelen. Geen overwinnaars die triomfantelijk de beker in de lucht steken. Geen pianostemmers. Geen vaandeldragers. Geen vlindervangers. Geen dokters met spuiten. Geen rozenverkopers die breedlachend met hun boeket het café binnenvallen. Tenzij allemaal in alternatieve versies met voeten of staart.

    Het is vreemd hoe alles in deze steden is geworden. Hoe deze mensen, deze cultuur, zich heeft ontwikkelt? Zoals vermoedelijk alles in de geschiedenis: noodzakelijk geworden toeval. Echter enkele historici en antropologen menen dat deze mensen hun diepe afschuw tegenover de handen mogelijks uit het feit ontspruit, dat zij nooit wc-papier ontwikkelt hebben.

    Kennis - of ontvankelijkheid voor wat begrepen wil worden? 

    Agnamimni is een land waar wonden geheeld worden door ze toe te fluisteren. Fluisteren is daar geen eigenschap van het spreken, fluisteren is er een wijze van zijn. 

    Moeders zijn er fluister-nympfen en verpleegsters hebben daar scholing in de anatomie en fonetiek van het fluisteren gekregen. Het is een soort Zorg, het fluisteren. Iedereen verstaat daar wel ergens deze kunst en kunde van het fluisteren. Ieder op zijn manier. Want fluisteren is helemaal anders dan zomaar taal. Een dier, dat fluistert? Dat kunnen deze mensen zich niet voorstellen. Fluisteren is wat mensen doen. Spreken doet men daar zo stil dat men iedere lettergreep hoort komen en gaan. Begroet men elkaar in Agnamimni, schudt men met reserve de hand, gaat voorzichtig met de lippen richting de oren en begint men vervolgens haast onhoorbaar zijn naam te fluisteren. 

       Uit: De Schoenen van de Sultan. Roman, nooit uitgegeven. 

    Ergens waar men pas kan voelen wanneer men rookt.

    Verliefden hebben daar neurotische trekken. Ze moeten iedere vijf minuten naar buiten, als hadden ze telkens opnieuw dat ene trekje nodig om iets te bevestigen.

    Woedenden, of tenminste diegenen die denken dat ze het zijn, verzamelen zich meteen met een vredespijp. Ja, conflicten gebeuren. Ook daar. Niemand die echter reageert maar zakelijk, onderkoelt, beredeneert handelt. Tot men vervolgens collectief een rookpauze inlast en de mensen paniekerig of overdreven reageren.

    Deze mensen hebben daar altijd wel een sigaret op zak. Ach de zaligheid, de ontspanning, de verademing van af en toe eens een heerlijk trekje te doen. Alsof het leven plots openklapt.

    Langdurige relaties die het roken uit hun leven bannen: het bevat te veel risico. Risico vreemdgaan, risico op verveling of plots gevoelsmatig ontwaken. Ja, tot ze op de begrafenis van de stiefmoeder nog eens een zeldzame sigaret opsteken. Misschien hoogstens maar een zuinig trekje.

    Ja, de meeste koppels spreken woordeloos af niet meer te roken – tenzij uiteraard tezamen. Het is een soort wederzijds verstaan. De tabakstop zoals een ring rond de vinger.

    De ontwikkeling van relaties komt daar in twee snelheden. Zij die roken. Zij die niet roken. Roken: is het een verslaving of een keuze?

    Cafés waar men het roken verbiedt. De staat heeft namelijk alle belang bij brave, beredeneerde, gehoorzame burgers. Wetenschappers met een geheim politiek agenda verklaren daar dan ook dat roken ongezond is. Ook in de cinema of de trein mag het al lang niet meer. Het zijn nochtans gevoelsopwekkende plaatsen.

    Vrienden die elkaar een sigaret aanbieden. Bedelaars die om een sigaret smeken. De sigaretten van jouw lastig broertje verstoppen. Psychiatrische patiënten die voortdurend roken…

    Iemand die zijn laatste sigaret rookt. Iemand die zijn eerste sigaret rookt.

    Er zijn er die kinderen aanbevelen zo vroeg mogelijk met roken te beginnen. Anderen die het dan weer afraden. Het zijn de keuzes die bij het leven horen. Wat maakt men uit zichzelf? Wie wordt men? Zulke existentiële vragen vallen daar uitsluitend terug te voeren op het vraagstuk van het roken.

    Daarbij – het roken is de basis van iedere machtsrelatie en bezitsaanspraak. “Stop met roken!” zegt men daar. Immers het schijnt slecht te zijn. En aldus controleert men iemands gedrag en gevoelswezen. Anderen die enkelen dan weer ten stelligste aanbevelen: “Man, rook toch eens een sigaret!”

    Een brief schrijven – en sigaretten roken. Een brief schrijven – en net geen sigaretten roken.

    Mensen verschijnen daar in hun dromen al rokend – anders kan men daar dromen niet verklaren. De dieren hebben daar, of beter gezegd kunnen daar geen gevoelens hebben. Immers zij roken niet. Roken is voorbehouden aan de mensen. Hoogstens een paar makaken of chimpansees kan met het aanleren – de menselijke afstamming van hen wordt bij het zien van zulke beelden langzaam duidelijk…

    Bezwete atleten, paffend na hun zonet gelopen wereldrecord. De top van de Mount Everest bedwingen en dan vaststellen dat je jouw sigaretten in de laatste berghut bent vergeten…

    Zij die de tabakvoorraad beheren en iedereen te vriend houden. Zij die een chocolade sigaret opsteken en imiteren. Toch doen alsof heeft geen zin: men ziet daar meteen wie er gevoelens heeft. Rookwolkjes omringen hen.

    Verrassend genoeg: de sigaret na het vrijen kent men daar niet. Men verkiest er één tijdens. Verdomme, over alles moet men daar nadenken! Nadenken: wanneer een sigaret past. Nadenken: of gevoelens –maar welke dan?– dra gepast zouden zijn. Nadenken: of men het nadenken stopt en een sigaret opsteekt? Kortom: kiest men voor de sigaret na of tijdens? Het ontmoeten? Het conflict? Het afscheid? De geboorte? Het huwelijk? De scheiding? Het succes? De nederlaag?

    Aldus ontwikkelt men daar twee soorten realiteit. Men kent daar ‘het moment’, en dan nog eens wat nadien komt – het moment zoals het vervolgens in het roken beleeft wordt. Tenzij men reeds rookte, maar dan net minder gevoelsaffiniteit wenselijk is. Kortom, één realiteit die men voelt maar ofwel te laat of te vroeg komt, en één realiteit die is maar nooit helemaal doordringt.

   Roken – om jezelf te zijn? Roken – om jezelf net niet te zijn?

   Ook daar kent het leven merkwaardige paradoxen. Ieder handelen en sociaal verschijnen is er door deze tweesprong gespleten. Of men en vrouw elkaar met of zonder sigaretten leren kennen? Mensen vertrouwen: doe je dat net met of zonder sigaret? Glimlachen: met of zonder?

   Toeval en esthetische gebeurtenissen bestaan daar slechts voor zij die roken. Al de rest is wiskunde.

   Wat wil men? En wat wil men net vermijden? Het mag ons daarom niet verwonderen dat velen daar louter roken, slechts om aan zulke voortdurende, borende gedachtegangen te ontsnappen. 

         Brasserie Verschueren, 26 februari 2020

    Eén keer per week, meestal vrijdagavond, schenkt hij in opperste stemming een shotje wodka aan zijn kamerplanten. 

    Een stad waar men met slaap betaalt. Simpel, het is een soort valuta. Het leven valt daar dan ook in een soort natuurlijk, constant evenwicht.

    Een glas melk bij het ontbijt: een kwartiertje extra slaap. Een goede maaltijd op restaurant: twee uur extra slapen. Een avondje stappen: beslist uitslapen. Zo bestaat de mensen hun tijd daar uit een natuurlijke, haast lichamelijke rechtvaardiging aan slaap voor hun dagelijks leven.

    Bijgevolg worden de mensen daar gekenmerkt door een normale, aan het leven inherente bescheidenheid. Elk consumptiemoment wordt men namelijk direct door de directe waarde, of beter effect ervan getroffen. Een kip of een varken slachten? Toch niet dagelijks? Misschien eens bij speciale gelegenheden – dan wanneer men voorziet goed uit te slapen.

    Geen dure diamanten ringen. Geen patserige SUV’s, ach zelfs geen auto’s – men ziet er het nut niet van in daarvoor te slapen. Geen grote woningen of luxueuze villa’s – zulke aankopen lonen zich niet. Waarom zou men dertig jaar of meer moeten afbetalen, dito afslapen? Werkelijk, de mensen overwegen wat ze kopen, nu de betaling ervan aan hun bewuste, wakkere leven gekoppeld is.

    Men kent daar een andere soort luxe. Luxe niet aan materie, maar aan ervaring gekoppeld. Een bosje meiklokjes, een kleine attentie, een stuk chocolade – dat zijn de ware, echte aankopen die er in het leven toe doen en waarvoor men graag even bijslaapt. Ze kosten misschien ook maar slechts een middagdutje of extra half-uurtje, maar ze zijn het waard.

    Iedereen, of toch bijna iedereen, leeft daar in een bescheiden woning, omgeven door wat men nodig heeft: een klein keukentje, woonkamer en deftig slaapvertrek. Kredietinstellingen zijn daar reusachtige slaaphallen, waar de mensen hun langere slaap afbetalen.

    Er zijn daar, zoals overal, natuurlijk uitzonderingen. Enerzijds zij die zuinig zijn, maar wat doen zij met hun gewonnen, ascetische tijd, nu zij slechts één uur slapen, haast niets eten en voor de rest niets uitgeven? Anderzijds zij die alleen maar willen slapen en kapitalen vergaren – zonder doel of enige uitgave.

    Vast staat dat mensen daar niet uiteenvallen in arm en rijk zoals bij ons of elders, maar in een ander essentieel onderscheid: de wakkeren en de slapenden. Het is daar geen fysisch, maar een sociaal onderscheid. En zoals overal ziet men de sociale verschillen meteen.

    Die mensen die beginnen te geeuwen. Die mensen die uitgeslapen wakker verschijnen. Die mensen die men maar niet wakker krijgt. Mensen met wallen onder de ogen. Vermoeide uuders die klagen over hun kosten. Wakkere jongeren die tegen elkaar opscheppen hoe lang ze reeds wakker zijn.

    Een doorsnee huwelijksreis en een slaap van twee weken. Cellospelers die voor hun optreden nog snel extra uurtjes slapen om een paar nieuwe snaren te bezoldigen. Slapenden in het station: zij moeten hun kaartje nog betalen.

    Aan nieuwelingen verschijnt deze stad machtig: men rolt zijn slaapmatje of hangmat ergens uit en begint er te slapen. Toch uitbating en sociaal misbruik bestaan ook daar. Men kent er als het ware slaap-slaven, die hun slaap verkopen of afstaan een machtigeren.

    Of daar diefstallen bestaan? En oplichterij? Men weet het niet.

    Overmoedige aankopen. Bewuste aankopen. Geplande aankopen. Aankopen waarvoor je al weken spaarde. Aankopen, die impulsieve, waardoor men zich dagen te slapen legt. Onzinnige aankopen: niets is daar erger dan verspilde slaap.

    Slaap als eenheid. Er valt iets voor te zeggen. Dingen hebben er daarom een andere waarde, en het is niet zo dat de waarde die wij in onze valuta aan iets toekennen daar overeenkomt met een evenredigheid aan slaap. Kinderspeelgoed voor zuigelingen bijvoorbeeld: kostbaar goed. Zij slapen dan ook bijzonder veel. Ook geneesmiddelen zijn daar uiterst kostbaar. De zieke moet er aardig voor bijslapen.

    Een moeilijkheid: samen slapen. Immers dat vooronderstelt een zeker evenwicht in dagelijkse uitgaven. Langdurige relaties zijn daar dan ook perfect op elkaar afgestemd en hebben een gebalanceerd huishouden, dito synchrone slaap. Prille, nieuwe koppeltjes echter kennen daarentegen wel eens moeilijkheden wanneer zij samen slapen en geplaagd worden door een ongelijke slaap.

    Soms zijn daar mensen, meestal impulsievelingen, plots onbereikbaar wanneer ze weer iets nieuw gekocht hebben. Men moet ze niet zoeken, aan een slapende valt namelijk toch niets te doen. Men moet ze verwachten. Eens komen ze wel weer terug.

    Deze mensen zijn bewuster, efficiënter, een soort Duitsers van de slaap, want meer dan een portefeuille of geld dat men ergens in een kous of onder een matras heeft liggen (of zou bluffen, dat men het ergens heeft liggen) hebben zij een direct gevoel, een soort innerlijk evenwicht en bewustzijn aan slaap. Alles meet men aan waarde af: de krant, een brood, een boek. Misschien nog het meest te vergelijken met wat de suikerspiegel voor een diabeticus is: alles van zijn dagelijkse activiteit is hieraan afgemeten. Aldus overweegt men daar goed: wat, waar, wanneer, waarom.

    Is men toch eens impulsief, wordt men daar direct getroffen en leert men uit zijn fouten. Het is een soort behaviouristische slaap. Reeds als kind is men er innig mee vertrouwd en leert men van nature uit niet te veel te willen.

    Tenzij men daar natuurlijk aan iets erg onaangenaam wil ontsnappen: spullen kopen die men niet nodig heeft! Als zodoende is men geëxcuseerd, want niet aanwezig, en ligt men ergens vredig te slapen. Deze samenleving in een dystopische toekomst: de jeugd die tot in de vroege namiddag onverschillig ligt te slapen. God weet wat zij gekocht hebben…

    Afwezige familieleden aan tafel. De bomma die na haar kerstbuffet een week in bed ligt. Overmoedige vaders die voor hun zonen een overdreven verjaardagscadeau geven. De verliefde die plots verschijnt met een pronkerig, te overdreven boeket, en vervolgens ergens te slapen ligt.

    Dingen die onverwacht kapot gaan: die extra, bijkomstige vermoeidheid. Daarvoor heeft men daar het weekend. Herstellingslaapjes. Het is de slaap die bij het leven hoort: dingen die men reeds had voorzien.

    Toch zijn er daar enkelen, die het niet uitmaakt wat ze kopen. Het zijn zij, namelijk diegenen die graag dromen, die overdag maar wat uitgeven en onverschillig slechts iets kopen – voor de slaap.

    Zoals de slaap in sommige dieren zijn. Ach die diepe, ene slaap even nabij komen! Het verlangen van de kinderen ook, de slapende dieren even aan te raken... Want in de tegenwoordigheid van slapende dieren heeft het moment altijd iets broos en integer. De ademende longen van een engel in de kamer. Het Zijn loopt op de tippen. 

    Hoe verschillend de dieren ook zijn, van schubdieren in Australië tot antilopen in Mongolië, van een rustende kip onbegrijpelijk op de stok tot de poes aan haard, zo gemeenschappelijk zij die ene slaap hebben. De onvergetelijke vrede in dat ene, onafwendbare gezicht.

    Ja, dieren kunnen gelukkig zijn. Toch dieren glimlachen niet. Maar niets is zo roerend zoals een dier in de slaap glimlacht.

    Hij wil leven zoals de dieren slapen.

    De angst voor het benoemen. De angst niet voor het woord, maar het bewoorden.

    Men durft niet te proberen, semantisch te proberen… Dit precaire handelen in de taal, deze angst van volwassenen, immers het gaat niet over van bruggen springen of bergen beklimmen, maar zoals een kind spoken onder zijn bed hoort en uiteindelijk bang door één geopend oog loert (de afwezigheid bevestigt enkel dat ze er dààr niet zijn), zo voelt de volwassene zich ook, wanneer die plots vaststelt dat de taal niet kan benoemen. Of misschien de taal wel, denkt men, maar »ik« niet. Men kan de waarheid over zichzelf niet uitspreken. Spreken is hoogstens falsificatie. 

    Men zegt “Ja” in de kerk. »Ja«, dat kan een mens nog uitbrengen. Of “Nee” natuurlijk. Oscillair voelen zoals de schouders optrekken: leven tussen onverschillig goedkeuren en gewetenloos afkeuren. “Ja”: een afwezig affirmatief. Een bange echo, een flets bevestigen dat slechts datgene wat is goedkeurt. Maar niet uitspreekt. In dit ene 'Ja' schuilt daarom de hele tragie. Wie zou moeten spreken om te trouwen, zou niet trouwen – want heeft de ernst van de leugen ingezien. De leugen? Hoezo, welke leugen? De volgende: men kan de waarheid over zichzelf niet uitspreken, en omdat men niets heeft gezegd, niets meer dan slechts een “Ja”, komt ‘spreken’ in een huwelijk hoogstens voor wanneer men gaat scheiden: dan ervaart men deze angst voor het benoemen. Het semantische handelen. Deze angst van volwassenen. De spoken onder het bed. 

    ‘Ah, deze angst?’ Plots herkennen enkelen waarover ik schrijf. De angst voor de woorden en wat ze stichten. Angst voor daden en hoe één handelingen, tenminste eens uitgesproken, zou kunnen kwetsen. Want wat men uitspreekt is er niet. Het ligt niet open op tafel of steekt als een sleutel in het sleutelgat. Het blijft als een afspraak tussen twee mensen. De afspraak over een te komen wat men gehoort heeft. Anders heeft spreken geen zin. Zelfs niet "Ja". Daar bestaat het – nergens en overal in het geweten dat tussen twee mensen ontstaat. Daar leeft het verder – altijd en durend in het geheugen waar niets vergaat. Wanneer het spreken ontstaat. Wanneer men benoemt. Maar om daar te bestaan, meer dan in een affirmatief, vergt het moed. 

    Uitspraken gebeuren niet. Zij duren

    Kon men niet altijd “Ja” zeggen?

    Jozef K. wordt een op een dag aangeklaagd voor iets wat hij nooit zal weten. Plots staat een vreemde naast het bed. Of hij deze vreemde überhaupt iets kan zeggen? Kafka weet dat dit proces ondoorgrondelijk is. Hoe verder Jozef K peilt, niemand vindt zijn weg nog terug in deze rechtbank, deze onafwendbare schuld. En hoe dieper hij graaft, des te onmogelijker verder leven wordt – in het benoemen.

    Hij hield één mug gevangen die hij zorgvuldig in het leven hield, slechts om 's winters aan de zomer herinnert te worden. 

    Monsieur Ciney ligt vandaag een jaar onder de grond. Een Russische begrafenis in Brussel. Zou iemand hem hier nog herinneren? Toch je verwacht nog steeds zijn gouden intrede, zo, als kon hij dadelijk aantreden – die gouden binnenkomst! Horloges en wimpers staan even stil. Eén trillende stok draagt in bang afwachten zijn hele gewicht. En dan: een zaligmakend gezicht buiten de tijd, zijn kijken dat niets lijkt te zien in een boven de snelheid verheven langzaamheid, betreedt de ruimte en onderbreekt dankbaar even het leven. Wat een onvergetelijke binnenkomsten! 

    Ziet de stamgast hem door de deuropening verschijnen, ja, waant die zich met één been buiten de tijd. Dankbaar, voor zijn aanwezigheid...

    Monsieur Ciney van Russische komaf, die iedere keer trots zijn afkomst voor het eerst vermeldde. Monsieur Ciney met glycoomblauwe ogen als winterse hemels in Sint-Petersburg. Ogen zoals een kind en zijn ballon. Hij trilde en schokte zoals een locomotief op de sporen. Toch het was geen verzetten tegen het voortschrijden, maar het inslaan van die ene laatste weg die keuzeloos tussen woning en café lag, waar de stamgast hem mocht verwachten.

    Monsieur Ciney, een Russische echo begraven in Brussel. Monsieur Ciney, die in dementerende aaibaarheid altijd hetzelfde vraagt. Monsieur Ciney met trillende, saluerende hand. Monsieur Ciney -een ontmoeting met de hemel- die alles opnieuw vroeg maar mij nooit vergat. 

         Brasserie Verschueren, Brussel.