Fragmenten uit mijzelf.

    Ik kreeg het niet uitgelegd, terwijl in mij het alfabet verdampte. (...)
      Uit: Gefluisterd worden (in ontwikkeling) 


    Uit verre gebergtes komen de herten
    Verwarring verwacht de straat
    Vol bladeren aan te treffen,
    En wezens uit verre gebergtes…

    In het tijdstip van het ruiten uur
    Fijne ademende hertenlongen
    Expirerend, als twee vermoeide ogen
    Die niets anders voelen
    Dan hun bang voorgevoel…

    De maan met zilveren ringen, troebel
    Het archeologische oog
    Verwacht zonder opkijken –
    De eerste koude.  

                Uit: Eigen voedsel. 

    Inlevingsvermogen. Zelfs de wielersupporters hadden daags na het uitgeregende WK in Yorkshire last van een keelontsteking. 

    Gebukt onder de hoeven van zijn buren... 

    Ontwaken in het bos, nog voordat het bos ontwaakte. In deze vroege ochtend, nog zonder geluid en verte, hoort men enkel zijn eigen voetstappen – als ontwaakte men zelf eerst uit dit stappen, dit verdergaan. Ja, men was al opgestaan – maar alles gebeurde zo automatisch, haast onbewust en logisch, net zoals evenmin de geboorte iemands eerste herinnering is, zo ging men reeds verder, was reeds opgestaan, in deze dag, nog van diepe slaap omgeven, in dit leven, nog voor het ontstond.

    De voetstap als navel van de aarde. Semantische stappen overigens: Yamachiche, Wapizagonke, Shawinigan. Zulke namen begeleiden de reiziger al enkele dagen en spinnen na, stap voor stap, in zijn bewustzijn. Hij herhaalt ze, reciteert ze, blijft ze herhalen, omdat hun innerlijk uitspreken een onmiddellijk vreugdegevoel verwerkelijkt. Het is het semantisch behagen en plezier dat men aan een naam beleeft.

    Is men bovenop een berg, is men in een soort heuvel aan licht. Énkel licht! Men kan nog geen drie meter ver zien. Overal mist, opake onzichtbaarheid. In het bos was die onzichtbaarheid niet zo zichtbaar, waar stap per stap zich een nieuwe zichtbaarheid in de naderende erehaag aan bomen ontsloot. Daar kon men niet het licht, maar het bos doorprikken, in hun dichter komende bomen, zelfs al was het maar enkele meters. Dat spel van de ontmoeting met iedere boom fascineerde, weg uit de sluier van de mist, hun nieuw gezicht aan takken. Maar hier, op deze heuvel, waar men stilstaat, is er slechts een brede witte vlek verspreid over de hele hemel. Als had men de zon in een glas melk gestoken.

    Dan was die eerdere droom, enkele dagen geleden, over een glas melk toch van betekenis. Of vertoefde men nog in de slaap? Tenminste nog dronken aan slaap? Deze onverklaarbaar droomachtige hemel… droomachtige morgen, als hield alles de oogleden gesloten, behalve jezelf... Men is in een membraam, denkt men. Er is geen diepte, er is geen verte, slechts nabijste eindigheid. Zoals in een cirkel. Een cirkel doet waarin een cirkel het beste is… Net zoals de droom. Nabij zoals in de droom de dingen na zijn.

    Was het licht vergeten de wekker te zetten? Hing het nog onuitgeslapen lauw over de dingen? Men voelt zich zo verwant aan, zo enig met het bos, nu alles zo droomachtig schijnt. Ligt het aan de herhaling van deze plaatsnamen? Yamachiche, Shawinigan, Wapizagonke. Ze deinen, blijven alsmaar deinen in het bewustzijn als uitbreidende waterkringen… Het zijn de voetstappen.

    Een reusachtig web dat één stap verder beweegt wanneer jij er één zette… Een web aan trillende kruinen.

    Om er zeker van te zijn kijkt men even op zijn horloge. Het is intussen toch al elf uur. Nog steeds lijkt het geen dag. Als kende het aardse leven plots fases: dag, nacht en dan nog dit, dit witte grijs, deze verlichting zonder diepte, zonder enige andere zichtbaarheid dan slechts het zichtbaar zijn van licht zelf. Op de paden in het bos kon men daarom slechts omhoog kijken, in de rij en ontvangscomité aan ontmoetende bomen. Ja – in hun toppen kruinde het al voorzichtig aan herfst!

    Zoals men een verjaardag niet herinnert, is men ook hier onzeker wanneer de herfst nu eigenlijk begint. Ja, ergens in die periode, in die week – dat weet men nog wel. Ach, men zou op hen willen toestappen om hen de hand schudden. Ieder exemplaar! Hen feliciteren met de herfst – iedere boom. En voor enkelen zelfs drie kussen!

    Zeldzame exemplaren staan al in het rood. Vast staat: de bomen hebben het groen, dat hen gedurende maanden kenmerkte, verlaten. Herfst zoals een blos, herfstsproeten. Ergens in het bos moet het beginnen. Ergens geraakt het bos verlegen. Wie schenkt haar het mooiste compliment? En misschien gebeurt herfst wel op dit eigenste moment, in deze ochtend zonder ochtend, deze wandeling naar binnen.

    Een enkele vogel –havik, arend?– onderbreekt de inwaardse cirkels van het denken en schreeuwt in de verte, die eigenlijk niet bestaat. Zolang men niets kan zien is het als een schreeuw van het jenseits, de buitenkant van bestaan, enkel de dennen druipen inwaards. Het membraam kantelt.

    Met geen ander geluid dan het druipend bos ontwaakt de ochtend pas na de middag uit de mist, in een lichtbad, omgeven door zwijgende beren. Deze ochtend las men dat enkele wandelpaden zijn afgezet wegens hun aanwezigheid: ze zijn er dus zonder te zijn. Zoals alles al deze ochtend! Prima voor de wandelaar, denkt men, maar houden beren zich dan aan wandelpaden?

    Intussen verdampt, schoorvoetend en erg langzaam, de hemel open. Zoals men een stop uit een bad trekt, eerst een kolkend kuiltje op één plaats, vervolgens trekt het langzaam volume uit de massa. Het leven wint aan diepte – plots ontstaat afstand. Na een half uur schemert een tegenoverliggende heuvel! Wat een vreugde, als zag men na een lang oceanenverhaal na maanden voor het eerst land. Bomen aan de overliggende heuvel als stille boodschappers, rechtstaande brieven. Vrouwen met vlechten.

    Bij zulke ochtenden denkt men, zoals men beslist reeds tientallen keren heeft gedacht: ‘De mooiste ochtend uit mijn leven!’ Oh zegen der vergeten! Men wil het vergeten eindeloos... Wat een geluk dat men superlatieven niet op kan gebruiken, ze niet hoeft te sparen, ze niet hoeft – te vergeten.

    ‘Maar deze morgen’ sterkt men zich toch, ‘deze, ja deze is speciaal, omdat hier de wereld eigenlijk niet bestond.’

    Bestond. Dus verleden tijd? Spreekt men niet beter in tegenwoordige tijd? Neen — want het niet-bestaan bestaat nu niet meer, dus moet men, wil men ervaren zoals men ervaart, over bestaan in verleden spreken terwijl de uitspraak, die een bestaan voorondersteld, in de tegenwoordige tijd bestaat. Is er nog een mens die dat begrijpt?

    Het ambivalente van iedere vreugde! Intussen is een tweede, achterliggende, nog grotere heuvel zichtbaar geworden. Het bos wordt een arena. De verrijzenis der bomen. Een ruimte, gevuld met hoogtes en vergezichten, met kleuren en bomen – een kinderlijk kleurboek. Jongens! En dan eenzelfde kinderlijke vreugde, nauwkeurig kladderen met de tong uit de lippen, en eigenlijk gebeurt er niets – maar eigenlijk gebeurt alles!

    Een vreemd object dat ergens in de lucht zweeft trekt al even de aandacht. Men begrijpt er niets meer van. Onderaan blijkt een meer te liggen, die dan nog eens die onzichtbare hemel en dat alsmaar breder wordend blauw kuiltje zichtbaar weerspiegelt! Als was men uit zijn eigen droom opgestaan en trok men de stop uit het bad. Alles wint aan vorm en kleur en diepte en uitzien en dingen. En dingen…

    Het vreemde object bleek de verre kruinen van een nog hogere heuvel – het zien vouwt alles open, in vorm en kleur. Kippenvel op de armen en vocht in de ogen – en het gevoel dat men niet bestaat…

    Hoewel het langzaam aan eindeloze uitzicht der bomen verbluffend is, men kan er in blijven kijken en zich verliezen, kan men dit ook in deze volstrekte (niet onzichtbaar, maar) zichtbaarloze wereld van deze ochtend, deze stille zeepbel, dit schip aan licht. De achterzijde van de spiegel. Men was in de longen van een engel…

    Bij thuiskomst zal men je onvermijdelijk vragen, alsof het een evidentie betreft; “En knappe natuur in Canada?” Knikkend zal je automatisch affirmeren, maar het eerste waaraan je je zal herinneren is dit complete onuitzicht der dingen, deze droom, die mist, deze volstrekte wereld- en sprakeloosheid – die morgen dat de wereld nog geen drie meter verder niet meer bestond. Als ontwaakte het bos uit zichzelf, openden het meer en de bomen langzaam de ogen, als was er niets evident, geen lauwe vormen en kleuren, geen schoonheid en dingen, geen adem en zichzelf.

                11 September 2019. La Maurici, National Park, Quebec.

    Het optimistisch cynisme van iedere pessimist: “Nu is de vervreemding van het eigen leven ten minste ook iets!”

    Ieder jaar opnieuw ontwaken zij in de lente uit hun magisch verdwijnen. Even was het zo als ware men hen volledig vergeten. Niemand dacht aan hen wanneer men ’s winters voor de stoof zat of in de potten roerde. Zelfs hun opmerkelijke, niet in het minst sierlijke aanwezigheid associeerde men geenszins met de lente of de zomer. Men had andere voorstellingen bij hun nochtans altruistische kleuren. Toch ieder jaar opnieuw ontwaakten zij uit dit magische vergeten als een sprookjesfiguur uit een langdurige slaap en werkten in hun slaapwandelend zweven aan een nobele opgave.

    Niemand gaf echter gehoor aan hen, bekeek hen als een opdringerig fenomeen, een bijkomstigheid. Men maakte gebarend afkeer, enkelen accepteerde misschien nog hun aanwezigheid als een noodzakelijkheid, anderen wouden het bestrijden zoals een plaag. Men zette misleidende, middeleeuwse vallen op, lieten hun longen vollopen met suiker en ensceneerden een orgastische vernietiging, slechts om hen van hun nobele opdracht af te leiden – eigenlijk niemand begreep hun magisch fluisteren en waarom ze daar waren.

    Ze werden volkomen genegeerd. Alleszins in hun opdracht, in hun doel – waarom ze zich tot ons wendden. Maar het waren idealisten, bitsige idealisten: »zij« begrepen het heilige moeten van hun doel en consequent handelen ze feeëriek verder in dat ene magische fluisteren, het ritselen van hun tarsklauwtjes.

    Ieder jaar wouden zij namelijk slechts hun sprookjes komen fluisteren. Men moest hen slechts dicht, dichtst bij onze oren laten komen. Uiteraard wisten zij dat niet, hoe konden ze ook, dat de mensen via de oren luisterden. Zij fluisterden te stil. Ze wisten het niet. Vergeefs vlogen zij met hun nobele opdracht naar handen, knieën, kuiten of onderarmen. Ach waarheen? Dan wendden zij zich tot ons, de mensen, hun komst was door de heilige geschriften voorspelt, zelfs sommige waarzeggers spraken over hen, handlezers profeteerden dit moment van plotse inspiratie.

    Dan kwamen ze dichterbij, even snuffelen, en begonnen te fluisteren. Toch de ongeduldige sloeg een hand, verjaagde hen, als begreep niemand dat ieder jaar opnieuw de wespen naar de mensen kwamen om hun sprookjes te vertellen…

    Ja, men voelt hen wel fluisteren, wanneer men ze erg dicht bij je huid laat komen en hun zweven voelt… Het knettert dan even. Dat is het moment! Toch zij fluisteren zo zacht als kon men iedere lettergreep horen komen en gaan. Kon men toch maar zijn gehoor aan een wespennest leggen! Maar sprookjes komen niet zo eenvoudig...

    Tot zij einde augustus begin september uit het gevoel volledig genegeerd te worden danig agressief worden dat zij hun gif en angel, die eigenlijk voor het nobele beschermen van de sprookjes bestemd was, zich wel eens tegen de toehoorders ervan richtte. Enkelen, toch nog steeds de uitzondering, worden waanzinnig en vallen een enkeling aan, de meesten worden triest of depressief en trekken zich terug, tot een soort depressieve winterslaap, voor de mens een magisch verdwijnen, en ontwaken met nieuwe hoop het jaar nadien.

    Nabije en melancholische liefde.

    De ene heeft lief vanuit de onverzadigbare nabijheid, de andere net vanuit de niet te benaderen afstand. De ene wil iedere afstand opheffen, de andere die ten koste wat kost bewaren. De andere houdt van het gemis, ja misschien meer dan van zijn partner, want het is dit gemis waarin voor hem of haar zijn partner het zuiverst verschijnt en die zijn of haar liefde versterkt; de ene houdt van de nabijheid en ziet het gemis als een bedreiging voor zijn of haar liefde. De ene houdt daarom eerder van nabijheid, dan van zijn partner, kortom van de bevestiging; de andere verstikt zich er in.

    Liefde in twee snelheden. Vlinders in twee kleuren. Is voor beide figuren liefhebben niet onmogelijk? Anders gesteld: is in ieder mens niet iets van beide verlangens, in iedere geslaagde liefde beide richtingen aanwezig?

    Wee die figuren, die in zichzelf slechts die ene vorm van liefde aantreffen – hun voortdurend lijden, of nu onder de nabijheid of het gemis. Ze kunnen ofwel onmogelijk dat verwerkelijken wat ze voelen en komen daardoor tot gemis, of ze kunnen nooit dat realiseren wat ze werkelijk nodig hebben in de onmogelijkheid van absoluut missen.

    Liefde als de uittocht. Liefde als de intrede. Liefde als het te veel. Liefde als het te weinig.

    De ene wil praten, de andere wil zwijgen. De ene vergeet en zoekt opnieuw, naar een zuivere, absolutere, uitgesprokene nabijheid; de andere herinnert eeuwig en vindt in dat herinneren een zuivere vorm van verschijnen – als verscheen daar de liefde uitgesproken en enig. De andere wil alleen maar herinneren, als deed hij het verleden spreken. De ene legt het zwijgen aan ieder verleden op, want voor hem of haar is de herinnering de teleurstelling, de niet-realiseerbare verruiling.

    Zwitsers geld. Pas wanneer men terug thuis is schiet het je plots te binnen hoe mooi en kleurrijk de briefjes in Zwitserland wel niet zijn. Geld in het aardbeienrood. Betalen in aquarel blauw, als verruilde men de zee met elkaar. Ach, het genot van een vreemde valuta! Het is onbetaalbaar… Alles krijgt voor even een nieuwe dimensie, aangereikt in een nieuw verschijnen.

    Correctie – alles: tenminste alles wat men kan kopen of geld kost, kortom door geld gemedieerd wordt. Maar is dat niet haast alles? Neen, de natuur, de bergen, de lucht, de bomen, de spaarzame wolkjes of het blauwe groen van de Aare waarin men iedere zomer zwemt, die hebben geen prijs en blijven onveranderlijk, slechts gemedieerd door hun verschijnen. De natuur staat er, vrij en ontdaan van geld uitgeven en de verruiling, en voelt misschien daarom zo groots. Onaangetast, noch door het veranderen der dingen, noch door het wijzigen van de toegang ertoe, aldus in nieuwe valuta geprezen, nog grootser, uitgesproken, intens door hun onkoop- en onomkoopbaarheid.

    Terloops. Vakantie nemen in de natuur: zich onttrekken aan de metafysische noodzaak van de geldruil? Namelijk die onzichtbare relatie in dingen die toestaat alles met elkaar te vergelijken en te enumereren in een ontologische orde? Én bovendien zich onttrekken aan de metafysica van de onzin, de reclame, die ieder diertuinachtig uitgeleverd zijn aan de boodschap als bezoeker, die naar de mens kijkt en met zijn tanden bloot lacht…

    Het genot van de vreemde valuta: de toegang tot het vertrouwde is anders. Men merkt dit het meest bij de simpele dingen: een pint, een brood, twee appels – ze verschijnen als door andere handen gedragen. Daarom reizen en het liefste simpele dingen doen – kortom zo veel mogelijk weinig geld uitgeven! Wat verschijnen de dingen vreemd… Plots moet men tellen, rekenen, kortom zich niet enkel automatisch afvragen zonder afvragen wat de dingen eigenlijk waard zijn, maar zich bovendien over het verschijnen van die waarde zelf gedachten maken – hun nieuwe munten, kleur, samenhang en gewicht…

    Het maakt niet uit wat de dingen kosten – met plezier geeft men hun nieuwe waarde uit. Voor even gelukkig dat de dingen anders verschijnen… Opperste stemming in valuta-delirium.

    Dat de briefjes in Zwitserland even als een schilderij voelen, wanneer men er mee betaalt en ze betekenisvol van hand naar hand gaan? Veelzeggend kijkt men de verkoper, de tijdelijke bestemmeling van de valuta, deze eeuwige reis tussen twee nieuwe handen, aan. Toch hij blikt op als in een gewoonte: “Nog iets?”

    Zaligmakend glimlachende augustus-wespen, ergens onder de kersenbomen, denken lang niet aan zomers neerleggen. Ze willen ze eindeloos! Verrast door het eerste frisse -'s ochtends en 's avonds en in de schaduw van de kersenbomen is de lucht plots koel- gonzen ze doorheen iedere teleurstelling. Overal zien ze kersen knipogen! Naar hen! 

    Ach, de tijdloze aanblik van hun eeuwigheid in laag avondlijk kersenlicht... In de geelzwartgeelzoete glimlach van hun gezichten duurt de zomer in een ander worden: de enkelvoudige tijd van bestaan blinkt in de kersen. Geen ervoor en geen erna, slechts eindeloos willen en doen, zonder verwerkelijken, zonder vergaan. Slechts het zoete vergaren, bezoekers van het donkerrood, een wezen dat alleen maar kersen wil strelen, bestaat er iets mooiers, als landen in vrede op honderden gevallen planeten.