Fragmenten uit mijzelf.

    Zwitsers geld. Pas wanneer men terug thuis is schiet het je plots te binnen hoe mooi en kleurrijk de briefjes in Zwitserland wel niet zijn. Geld in het aardbeienrood. Betalen in aquarel blauw, als verruilde men de zee met elkaar. Ach, het genot van een vreemde valuta! Het is onbetaalbaar… Alles krijgt voor even een nieuwe dimensie, aangereikt in een nieuw verschijnen.

    Correctie – alles: tenminste alles wat men kan kopen of geld kost, kortom door geld gemedieerd wordt. Maar is dat niet haast alles? Neen, de natuur, de bergen, de lucht, de bomen, de spaarzame wolkjes of het blauwe groen van de Aare waarin men iedere zomer zwemt, die hebben geen prijs en blijven onveranderlijk, slechts gemedieerd door hun verschijnen. De natuur staat er, vrij en ontdaan van geld uitgeven en de verruiling, en voelt misschien daarom zo groots. Onaangetast, noch door het veranderen der dingen, noch door het wijzigen van de toegang ertoe, aldus in nieuwe valuta geprezen, nog grootser, uitgesproken, intens door hun onkoop- en onomkoopbaarheid.

    Terloops. Vakantie nemen in de natuur: zich onttrekken aan de metafysische noodzaak van de geldruil? Namelijk die onzichtbare relatie in dingen die toestaat alles met elkaar te vergelijken en te enumereren in een ontologische orde? Én bovendien zich onttrekken aan de metafysica van de onzin, de reclame, die ieder diertuinachtig uitgeleverd zijn aan de boodschap als bezoeker, die naar de mens kijkt en met zijn tanden bloot lacht…

    Het genot van de vreemde valuta: de toegang tot het vertrouwde is anders. Men merkt dit het meest bij de simpele dingen: een pint, een brood, twee appels – ze verschijnen als door andere handen gedragen. Daarom reizen en het liefste simpele dingen doen – kortom zo veel mogelijk weinig geld uitgeven! Wat verschijnen de dingen vreemd… Plots moet men tellen, rekenen, kortom zich niet enkel automatisch afvragen zonder afvragen wat de dingen eigenlijk waard zijn, maar zich bovendien over het verschijnen van die waarde zelf gedachten maken – hun nieuwe munten, kleur, samenhang en gewicht…

    Het maakt niet uit wat de dingen kosten – met plezier geeft men hun nieuwe waarde uit. Voor even gelukkig dat de dingen anders verschijnen… Opperste stemming in valuta-delirium.

    Dat de briefjes in Zwitserland even als een schilderij voelen, wanneer men er mee betaalt en ze betekenisvol van hand naar hand gaan? Veelzeggend kijkt men de verkoper, de tijdelijke bestemmeling van de valuta, deze eeuwige reis tussen twee nieuwe handen, aan. Toch hij blikt op als in een gewoonte: “Nog iets?”

    Zaligmakend glimlachende augustus-wespen, ergens onder de kersenbomen, denken lang niet aan zomers neerleggen. Ze willen ze eindeloos! Verrast door het eerste frisse -'s ochtends en 's avonds en in de schaduw van de kersenbomen is de lucht plots koel- gonzen ze doorheen iedere teleurstelling. Overal zien ze kersen knipogen! Naar hen! 

    Ach, de tijdloze aanblik van hun eeuwigheid in laag avondlijk kersenlicht... In de geelzwartgeelzoete glimlach van hun gezichten duurt de zomer in een ander worden: de enkelvoudige tijd van bestaan blinkt in de kersen. Geen ervoor en geen erna, slechts eindeloos willen en doen, zonder verwerkelijken, zonder vergaan. Slechts het zoete vergaren, bezoekers van het donkerrood, een wezen dat alleen maar kersen wil strelen, bestaat er iets mooiers, als landen in vrede op honderden gevallen planeten. 

    Hij heeft zijn leven lang zijn schrijven en al zijn manuscripten voor anderen verzwegen, omdat hij steeds het gevoel had dat niet hij, maar de taal sprak, maar nu zwijgt alles wanneer »hij« zijn woord tot de dingen richt.

    Hij leeft een heel jaar in afwachting naar de zomer toe, om vervolgens zijn sigaret in stille genoegdoening op wespen uit te doven. 
    Iemand die kickt op gevaren: met een grote glimlach suikerspinnen smullend bij wespennesten.
    Hieronymus de Geduldige, een onbekend 17e eeuws, getalenteerd schilder, gestorven bij zijn onafgewerkte compositie: 'Het stilleven van de wespennest'. 
    Voelt hij de bedreiging van de wespen, neemt hij intuïtief een bokshouding aan.

    Hij schrijft het liefst tussen de wespen. 

    Niets smaakt hem beter dan wanneer de wespen er al eens aangezeten hebben.

    Ergens waar men aan een rad moet draaien om vervolgens een uur te kunnen slapen. Zo staat men ’s nachts meermaals op, beter gezegd wordt men daar meermaals vermoeid wakker, verplaatst zich vervolgens met vermoeide ledematen, nog lauwwarm van de slaap, naar zijn rad om uiteindelijk opnieuw krachtig, met het gewicht van zijn bovenlichaam er aan te draaien om zich zo opnieuw horizontaal te kunnen leggen – zo brengt men daar zijn nachten door.

    Het herhaalde, nachtelijke opstaan. De voetstappen van je bovenburen. Het tijdstip dat de verlichting even aanspringt. Iedereen is daar wakker – wil men slapen.

    Toch ook het respect dat men daar voor slapenden heeft . Stoor ze vooral niet! Ze worden toch meteen wakker…

    Dieven maken daar geen schijn van kans. Tenzij ze de klus binnen een half uurtje klaren. Toch ook zij ontkomen niet aan hun rad. Gedachte: hoe daar de dieren slapen? Men weet het niet.

    Middagdutjes laten zich daar goed verklaren: een felle, krachtig slag. Reizenden met rad in zakformaat, zodat ze zich in hun hangmat ook even kunnen neerleggen. Gelukkig heeft men intussen, zegen der technologie, voor ieder huishouden een rad kunnen ontwikkelen, zodat de mensen niet uur om uur, nacht om nacht, naar het dorpsplein moeten slenteren om er aan het rad te draaien.

                Net zoals men na de slaap wel eens dat ene vermoeide zwijgen onder de schedel speurt, waarbij men de ogen als niets anders als de uitloper van de hersenen gewaarwordt, worden deze mensen na ieder beslapen uur met dit zware lichaam, dit verborgen zwijgen geconfronteerd, waardoor daar zich onvermijdelijk eens de vraag stelt: waarom eigen leven?

    Zij die daar hun leven beu zijn, snel verveelt of misschien net te veeleisend, verlangend een geluk dat in het wakkere leven nooit bestaat, draaien er continu aan het rad, in verlangen voor eeuwig van slaap dronken te zijn.

    Hoe de wespen hun hoofdje wassen.

    Het verlangen zich overal neer te leggen om er te slapen. Slapen op een bank. In de huiskamer of op straat. Slapen op hoogte, in de bergen. Slapen achter het stuur. Slapen in de natuur, in de hangmat tussen bomen – op stenen of in het zand. Slapen op de bodem. Slapen op een bed aan tikkende horloges. Slaap als het meest magisch oord wat in het leven bestaat. 

    Leven – om te slapen en uit de slaap een kasteel te maken, om zich terug te trekken en te overschouwen, er in te blijven en te verdwalen, er in verloren te lopen en altijd terug opnieuw buiten te komen. Slapen, eeuwig bedronken van slaap te zijn – en niet meer wakker worden.

    Slapen in kostuum. De slaap van de rozenverkopers. De slaap van de clowns. Slapende paarden. Slapen om het leven te verlengen. Slapen om de dingen te laten bestaan. Slapen om het uurwerk terug te draaien – of om te leven, tegenwijzerzin?

    Slapen om te vergeten… Slapen om zoals de dieren te zijn.

    Het verslavende van de inspiratie. Of vervelende? De tragiek van ieder juist aanvoelen leert dat men inspiratie nooit bezit, maar naar jou komt –zoals de dieren– om gestreeld te worden. Heel erg mooi allemaal, maar pijnlijk wanneer men met gevouwen handen vooruitgestrekt al weken vergeefs wacht tot de dieren uit jouw handen komen eten. En niets gebeurt. 

    Op de dieren kan men natuurlijk niet wachten. Zij komen naar je zonder enig voorafgaan. Een ervaring zonder secquenz: inspiratie. Een ervaren zonder enig voorafgaan wijzigt niet alleen de ervaring van de tijd, waarin de inspiratie gebeurt, maar ook de ordening van de ruimte, waarin inspiratie zich bundelt. 

    Het moeizame van ieder verder leven –symbolisch met de handen vooruit gevouwen–, want voor inspiratie, net zoals de droom, vind men slechts troost in diegene die daarop volgt, bestaat er in dagen, soms weken (maanden?) zonder inspiratie door te moeten brengen, omgeven door het te veel van alles, tegelijk middenin het naamloos niets. Het is wanneer alles zich in die onvermijdelijke samenstelling aan jou opdringt en tegelijk steeds te weinig is, wanneer heden identiek met bewustzijn wordt – leven in het kwantum aan de willekeurigheid van iedere naam.

    De woorden of dingen spreken niet langer, zijn steeds nog en slechts hun naam of voorkomen. En daarmee ligt alles eindeloos vast. Eindeloos vast: in een gevoel van absolute duur en tegelijk onmogelijke beweging.