....

    Zaligmakend glimlachende augustus-wespen, ergens onder de kersenbomen, denken lang niet aan zomers neerleggen. Ze willen ze eindeloos! Verrast door het eerste frisse -'s ochtends en 's avonds en in de schaduw van de kersenbomen is de lucht plots koel- gonzen ze doorheen iedere teleurstelling. Overal zien ze kersen knipogen! Naar hen! 

    Ach, de tijdloze aanblik van hun eeuwigheid in laag avondlijk kersenlicht... In de geelzwartgeelzoete glimlach van hun gezichten duurt de zomer in een ander worden: de enkelvoudige tijd van bestaan blinkt in de kersen. Geen ervoor en geen erna, slechts eindeloos willen en doen, zonder verwerkelijken, zonder vergaan. Slechts het zoete vergaren, bezoekers van het donkerrood, een wezen dat alleen maar kersen wil strelen, bestaat er iets mooiers, als landen in vrede op honderden gevallen planeten.