....

    Ontwaken in het bos, nog voordat het bos ontwaakte. In deze vroege ochtend, nog zonder geluid en verte, hoort men enkel zijn eigen voetstappen – als ontwaakte men zelf eerst uit dit stappen, dit verdergaan. Ja, men was al opgestaan – maar alles gebeurde zo automatisch, haast onbewust en logisch, net zoals evenmin de geboorte iemands eerste herinnering is, zo ging men reeds verder, was reeds opgestaan, in deze dag, nog van diepe slaap omgeven, in dit leven, nog voor het ontstond.

    De voetstap als navel van de aarde. Semantische stappen overigens: Yamachiche, Wapizagonke, Shawinigan. Zulke namen begeleiden de reiziger al enkele dagen en spinnen na, stap voor stap, in zijn bewustzijn. Hij herhaalt ze, reciteert ze, blijft ze herhalen, omdat hun innerlijk uitspreken een onmiddellijk vreugdegevoel verwerkelijkt. Het is het semantisch behagen en plezier dat men aan een naam beleeft.

    Is men bovenop een berg, is men in een soort heuvel aan licht. Énkel licht! Men kan nog geen drie meter ver zien. Overal mist, opake onzichtbaarheid. In het bos was die onzichtbaarheid niet zo zichtbaar, waar stap per stap zich een nieuwe zichtbaarheid in de naderende erehaag aan bomen ontsloot. Daar kon men niet het licht, maar het bos doorprikken, in hun dichter komende bomen, zelfs al was het maar enkele meters. Dat spel van de ontmoeting met iedere boom fascineerde, weg uit de sluier van de mist, hun nieuw gezicht aan takken. Maar hier, op deze heuvel, waar men stilstaat, is er slechts een brede witte vlek verspreid over de hele hemel. Als had men de zon in een glas melk gestoken.

    Dan was die eerdere droom, enkele dagen geleden, over een glas melk toch van betekenis. Of vertoefde men nog in de slaap? Tenminste nog dronken aan slaap? Deze onverklaarbaar droomachtige hemel… droomachtige morgen, als hield alles de oogleden gesloten, behalve jezelf... Men is in een membraam, denkt men. Er is geen diepte, er is geen verte, slechts nabijste eindigheid. Zoals in een cirkel. Een cirkel doet waarin een cirkel het beste is… Net zoals de droom. Nabij zoals in de droom de dingen na zijn.

    Was het licht vergeten de wekker te zetten? Hing het nog onuitgeslapen lauw over de dingen? Men voelt zich zo verwant aan, zo enig met het bos, nu alles zo droomachtig schijnt. Ligt het aan de herhaling van deze plaatsnamen? Yamachiche, Shawinigan, Wapizagonke. Ze deinen, blijven alsmaar deinen in het bewustzijn als uitbreidende waterkringen… Het zijn de voetstappen.

    Een reusachtig web dat één stap verder beweegt wanneer jij er één zette… Een web aan trillende kruinen.

    Om er zeker van te zijn kijkt men even op zijn horloge. Het is intussen toch al elf uur. Nog steeds lijkt het geen dag. Als kende het aardse leven plots fases: dag, nacht en dan nog dit, dit witte grijs, deze verlichting zonder diepte, zonder enige andere zichtbaarheid dan slechts het zichtbaar zijn van licht zelf. Op de paden in het bos kon men daarom slechts omhoog kijken, in de rij en ontvangscomité aan ontmoetende bomen. Ja – in hun toppen kruinde het al voorzichtig aan herfst!

    Zoals men een verjaardag niet herinnert, is men ook hier onzeker wanneer de herfst nu eigenlijk begint. Ja, ergens in die periode, in die week – dat weet men nog wel. Ach, men zou op hen willen toestappen om hen de hand schudden. Ieder exemplaar! Hen feliciteren met de herfst – iedere boom. En voor enkelen zelfs drie kussen!

    Zeldzame exemplaren staan al in het rood. Vast staat: de bomen hebben het groen, dat hen gedurende maanden kenmerkte, verlaten. Herfst zoals een blos, herfstsproeten. Ergens in het bos moet het beginnen. Ergens geraakt het bos verlegen. Wie schenkt haar het mooiste compliment? En misschien gebeurt herfst wel op dit eigenste moment, in deze ochtend zonder ochtend, deze wandeling naar binnen.

    Een enkele vogel –havik, arend?– onderbreekt de inwaardse cirkels van het denken en schreeuwt in de verte, die eigenlijk niet bestaat. Zolang men niets kan zien is het als een schreeuw van het jenseits, de buitenkant van bestaan, enkel de dennen druipen inwaards. Het membraam kantelt.

    Met geen ander geluid dan het druipend bos ontwaakt de ochtend pas na de middag uit de mist, in een lichtbad, omgeven door zwijgende beren. Deze ochtend las men dat enkele wandelpaden zijn afgezet wegens hun aanwezigheid: ze zijn er dus zonder te zijn. Zoals alles al deze ochtend! Prima voor de wandelaar, denkt men, maar houden beren zich dan aan wandelpaden?

    Intussen verdampt, schoorvoetend en erg langzaam, de hemel open. Zoals men een stop uit een bad trekt, eerst een kolkend kuiltje op één plaats, vervolgens trekt het langzaam volume uit de massa. Het leven wint aan diepte – plots ontstaat afstand. Na een half uur schemert een tegenoverliggende heuvel! Wat een vreugde, als zag men na een lang oceanenverhaal na maanden voor het eerst land. Bomen aan de overliggende heuvel als stille boodschappers, rechtstaande brieven. Vrouwen met vlechten.

    Bij zulke ochtenden denkt men, zoals men beslist reeds tientallen keren heeft gedacht: ‘De mooiste ochtend uit mijn leven!’ Oh zegen der vergeten! Men wil het vergeten eindeloos... Wat een geluk dat men superlatieven niet op kan gebruiken, ze niet hoeft te sparen, ze niet hoeft – te vergeten.

    ‘Maar deze morgen’ sterkt men zich toch, ‘deze, ja deze is speciaal, omdat hier de wereld eigenlijk niet bestond.’

    Bestond. Dus verleden tijd? Spreekt men niet beter in tegenwoordige tijd? Neen — want het niet-bestaan bestaat nu niet meer, dus moet men, wil men ervaren zoals men ervaart, over bestaan in verleden spreken terwijl de uitspraak, die een bestaan voorondersteld, in de tegenwoordige tijd bestaat. Is er nog een mens die dat begrijpt?

    Het ambivalente van iedere vreugde! Intussen is een tweede, achterliggende, nog grotere heuvel zichtbaar geworden. Het bos wordt een arena. De verrijzenis der bomen. Een ruimte, gevuld met hoogtes en vergezichten, met kleuren en bomen – een kinderlijk kleurboek. Jongens! En dan eenzelfde kinderlijke vreugde, nauwkeurig kladderen met de tong uit de lippen, en eigenlijk gebeurt er niets – maar eigenlijk gebeurt alles!

    Een vreemd object dat ergens in de lucht zweeft trekt al even de aandacht. Men begrijpt er niets meer van. Onderaan blijkt een meer te liggen, die dan nog eens die onzichtbare hemel en dat alsmaar breder wordend blauw kuiltje zichtbaar weerspiegelt! Als was men uit zijn eigen droom opgestaan en trok men de stop uit het bad. Alles wint aan vorm en kleur en diepte en uitzien en dingen. En dingen…

    Het vreemde object bleek de verre kruinen van een nog hogere heuvel – het zien vouwt alles open, in vorm en kleur. Kippenvel op de armen en vocht in de ogen – en het gevoel dat men niet bestaat…

    Hoewel het langzaam aan eindeloze uitzicht der bomen verbluffend is, men kan er in blijven kijken en zich verliezen, kan men dit ook in deze volstrekte (niet onzichtbaar, maar) zichtbaarloze wereld van deze ochtend, deze stille zeepbel, dit schip aan licht. De achterzijde van de spiegel. Men was in de longen van een engel…

    Bij thuiskomst zal men je onvermijdelijk vragen, alsof het een evidentie betreft; “En knappe natuur in Canada?” Knikkend zal je automatisch affirmeren, maar het eerste waaraan je je zal herinneren is dit complete onuitzicht der dingen, deze droom, die mist, deze volstrekte wereld- en sprakeloosheid – die morgen dat de wereld nog geen drie meter verder niet meer bestond. Als ontwaakte het bos uit zichzelf, openden het meer en de bomen langzaam de ogen, als was er niets evident, geen lauwe vormen en kleuren, geen schoonheid en dingen, geen adem en zichzelf.

                11 September 2019. La Maurici, National Park, Quebec.