Het onmogelijke vertellen. 

“Het moment is ironisch genoeg altijd pas wanneer het voorbij is” zei de Portugees tegen het Sultanszoontje in één van zijn droomachtige reisverhalen. “Maar reizen is meemaken wat men doet”. 

 Tussen reiziger en zijn reis, ergens op de precaire as tussen vertelling en ervaring, herinnering en fantasie, begint de excentrieke Portugees aan het zoontje van de Sultan zijn reisverhalen te vertellen. Verhalen over Luaddi, de stad in de wolken, die de reiziger bezocht en de Sultan niet op zijn kaarten kan aantreffen. Verhalen over Riika, een land waar elke week uit een andere kleur bestaat. Of verhalen over Halda Oà, een land waar men een tweehonderd dagen slaapt en slechts een tiental wakker is.

 Verhalen over een aap die eieren legde, een oma die angst had voor haar eigen pantoffels, of huizen met suiker op de daken, zodat na nachtelijke stortregens de straten niet overstromen maar vol stroop liggen waarmee de mensen ’s ochtends hun boterham smeren – de Portugees wist van al zijn reizen wel iets van het onmogelijke te vertellen.

 Maar om écht mee te maken wat men doet, is overgave nodig. Ja, het Sultanszoontje voelde zich in de reiziger zijn verhalen zo goed zoals een veulen tussen twee melkkoeien. Maar of de Sultan zich net zozeer kon overleveren aan de realiteit zoals zijn zoontje aan de verbeelding en er in zou slagen de landen en mensen waarover sprake op zijn kaarten terug te vinden?

 'De schoenen van de Sultan' is een roman-raamvertelling waarin de ambiguïteit uit de ondertitel –tussenin het vertellen dat onmogelijk is en het onmogelijke dat verteld wordt– verkent wordt. Het is een boek dat gaat over reizen, maar meer nog over de ontdekkingstocht door de fantasie en wat ons pas tot geslaagd mens maakt: de overgave aan de verbeelding.



      De koorts van de cactusvijgen
Uit: Hoofdstuk 3, De Schoenen van de Sultan. Het onmogelijke vertellen. (2018, onuitgegeven)

  Het zoontje van de Sultan, met gouden servies zijn pap lepelend, beval op een ochtend de Portugees bij zich om hem reeds tijdens het ontbijt te horen vertellen.

  Enkele dienaren kamden zoals iedere ochtend zijn haren en serveerden figuren –olifanten, tijgers, een lotusbloem, een zandloper– uit gesneden persimon. Kaapse kruisbes, cactusvijgen en Tasmaanse Macadamianoten werden door dienstbodes met plechtig gezicht haastig aangevoerd, terwijl onder tafel een dienaar de kleine Sultan zijn schoenen poetste. Eén dienaar veegde met een fijn penseeltje het zand van de slaap uit kleine Süleyman zijn ogen. Die moest enkel nog zijn mond openen terwijl de volgende dienaar al het gesneden fruit toestak.

  De Portugees, zoals steeds met een opgestoken pauwenveer, deze keer in zijn zwarte haren, stond eerbiedig naast het ontbijtende koningskind en vertelde over zijn vele reizen, het grote oceaanverhaal, weken van alleen maar water. Maar ook over de mensen in Portugal, het gezicht van zijn moeder, het dorp waar hij geboren was en hoe de kinderen in de stad Coimbra ontbeten — hoe de kinderen elders ontbeten en hoe hij tijdens zijn reizen enkele plaatsen bezocht waar de mensen alléén maar op stelten rondliepen, zelfs op stelten sliepen, bijgevolg de kinderen –die daar allemaal een exemplarisch, onverklaarbaar plat voorhoofd hadden– 's ochtends op stelten aan de appel– of perenbomen verschenen, happend naar hun ontbijt.

  Kleine Süleyman luisterde aandachtig hoe de Portugees tijdens zijn expedities elders andere kinderen aantrof, waarvan de ouders met zorgvuldigheid alles noteerden wat ze zeiden. Sommige kinderen, die bemerkten dat ze genoteerd werden, zwegen vaak met opzet. Andere deden dan weer gewoon verder met hun bezigheden alsof er niets gebeurde. Sommigen genoten er zelfs van beschreven te worden.

  “Ouders zijn daar opmerkzame luisteraars”, vertrouwde de Portugees de kleine Sultan toe, terwijl een dienaar zijn van verbazing open mond verder belepelde, “toch viel het hen vaak niet makkelijk een juist moment te vinden, zonder hun kind en de schoonheid van het spontane al te veel met hun aantekeningen te belastten.”

  Niet waren ze daar van hun notitieboekjes weg te denken, vaak verstopt in struiken of achter speelgoed. Zelfs tijdens de kinderen hun slaap zaten ze naast het bed. Alles om de meest genegen, oprechte en authentieke uitingen op papier te krijgen.

  “Later, in nostalgische buien of herinneringszuchtige momenten”, fluisterde Visconti nu betekenisvol, “opent men daar deze boekjes en laat zijn wijsvinger over die kinderlijke taalfouten gaan. Zo doorbladert men zijn kindertijd als vreemde poëzie en verlangt men terug naar die goede oude tijd en wat men toen allemaal kon zeggen.”

  Het was een vreemde ontdekking. Het zoontje van de Sultan, gewoon aan de voortdurende inwilligingen van zijn jongensachtige verlangens en het leven in de sluipende verveling van het absolute bezit, moest die namiddag in de Ottomaanse maand mei, middenin een audiëntie tussen de Sultan en de grootvizier, met kinderlijke vanzelfsprekendheid het woord gevraagd hebben om vervolgens zijn vader te vragen waar »Elders« nu eigenlijk lag.

  Sultan Süleyman die op dat moment net een papyruskaart van zijn imperium en de gekende wereld voor zich had om de laatste geopolitieke ontwikkelingen van Barbarossa in het Middellands Zeegebied onder vier ogen te bespreken, knipperde even met zijn kenmerkende, fijne lange wimpers maar wist niet meteen wat te antwoorden toen zijn zoontje hem bovendien ook nog smeekte »Elders« op de kaart van het rijk aan te duiden.

  Soms vinden de meest argeloze gedachten de grootste weerslag. Hoe zo’n onschuldige vraag de Sultan zijn eigenwaarde kon doen kelderen? Sultan Süleyman, de bewaker van het Oosten, een man van macht en aanzien, Sultan van het grootste Ottomaanse imperium ooit bestaan, een man van roem, van veroveringen en veldslagen, van successen en zakelijke relaties, van avondlijke diners en loyale vrijgevigheid, van een hartelijk hoekig glimlachen en warme handdrukken, hij, die als personeel een schildpadtemmer en een persoonlijke sinaasappelpeller bezat, bezitter van de meeste olifanten ter wereld, kortom hij, de uitloper van de geschiedenis, was zichtbaar niet opgezet met het misschien onschuldige, maar in het bijzijn van de grootvizier subversieve vraagje. Aangetast in zijn macht en in zijn handelen, kortom in wie hij was, wist uitgerekend hij zijn zoon niet meteen van repliek te voorzien.

  Toen die merkte dat vader aarzelde, moest hij hem verteld hebben over magische kinderen waarvan men alles noteerde, mensen die er op stelten leefden, op stelten ontbeten, op stelten voortplantten, ja zelfs sliepen, en vrouwen die op stelten van baby’s met platte voorhoofden bevielen — “Aldaar de oorsprong van bevallen!”, beleerde hij nog zijn vader, die knarsetandend van onder zijn smalle wenkbrauwen opkeek maar toch vooral in aanwezigheid van de grootvizier verlegen was »Elders« op de kaart van zijn imperium niet te kunnen lokaliseren.

  Een volwassen glimlachen kwam tussenbeide. Het zoontje werd bevolen de grote mensen niet te storen en Sultan Süleyman besprak vervolgens verder met de grootvizier de laatste belastingsinningen en de ontwikkelingen van Barbarossa in West-Azië en het Middellandse Zeegebied.

  De Sultan, die late namiddag overvallen door een plotse migraine, stond 's avonds voor het venster als voor zijn eigen leven, ergens in het vierde hof van de serail. Nog diezelfde middag had hij de cartografen, geschiedkundigen en ontdekkingsreizigers van zijn rijk bevolen hem uitvoerig over »Elders« te berichten, toch hun antwoord bleef uit. Zelfs de astronomen werden geraadpleegd. Het stond zelfs niet eens in de anders zo betrouwbare sterren! Wie was die Portugese leraar naar wie zijn zoontje vurig verlangde? En vooral, wat vertelde hij? Berichtte hij over onbestaande provincies? Over volken die hij niet kende? Een wereld buiten zijn rijk en weten?

  De Sultan knipperde onrustig met de oogleden. Hadden ogen kunnen ademen — de zijne waren astmatisch gewezen. Ogen zoals de laatste vijgen aan een boom... Om zijn temperatuur te nemen leunde zijn handrug even aan zijn voorhoofd. Stille lucht. De dingen leken zo dun. Van op het binnenplein van het paleis galmde het geluid van twee zebra’s hun avondlijke hoeven na tot in de holte van de Sultan zijn hoofdpijn, en met gevoelens die als onafgesloten gedachten verschenen sloot hij vervolgens met sensibele, zwakke hand het gordijn. Achter gesloten gordijnen bleef hij echter nog even staan en luisterde in dat naamloze rood waarmee men de ogen sluit verder naar zijn avondlijke, zich van hem vervreemdende stad; een heden waarin het geluid van paardenrennen, de mizmar en kanun, de verre zilveren dolfijnen uit de Bosporus en de takkende zebrahoeven in elkaar samendrongen.

  Uiteindelijk sloot zich in dit geelrode gedempte gordijnlicht dan toch de gedachte: in het leven wil men geen antwoorden krijgen — men wil de vragen vergeten.



  Halda Oà is een land waar men een tweehonderd dagen slaapt en slechts een tiental wakker is. Dat moment van het wakker worden! Die seconden net voor het slapen gaan… Het verrassende ook, omdat men er telkens in een ander seizoen wakker wordt. 

  De ontmoeting tussen wakkeren in Halda Oà. De confrontatie met slapenden. Sommigen kijken dagenlang versteend naar kleuren, tot ze noodgedwongen weer inslapen. Anderen voelen dan weer aan alles, omdat het leven, eens wakker, in Halda Oà te echt voelt. 

  Als zodanig ontwikkelt men in Halda Oà twee soorten realiteit: die realiteit van de wakkere, waarin dingen gebeuren die men meemaakt maar anderen niet meemaken –immers zij slapen–, en die realiteit die men in Halda Oà’s annalen of kranten leest, de wereld die gebeurt maar die je zelf, als slapende, nooit meemaakte. 

  Alsdus voelt het leven, eens wakker, in Halda Oà telkens fout aan. Er ligt iets onmededeelbaar in de dingen en de eigen ervaring. Iets tegenstrijdigs zelfs, in Halda Oà, daar waar de eigen ervaring tegengesteld lijkt aan dat wat als realiteit verschijnt. 

  Hoe vaak men het ook probeert, iets kan men, eens wakker, niet uitdrukken. Iets valt er gewoonweg niet mee te delen. Iets lijkt in Halda Oà onwerkelijk, niet juist. Alleen weet men daar niet of dat ‘iets’ nu net de realiteit betreft, of de droom. Aldus is de wakkere er vertwijfeld, of dat wat wij realiteit noemen uiteindelijk wel bestaat en niet eerder een vorm van lichamelijke droom is, die men met handen en ogen moet vaststellen… 

  De reiziger zou het deze mensen willen vragen, om uitleg, om verduidelijking, om begrip, toch zij liggen er te slapen. 

  Elkaar leren kennen heeft er dan ook altijd iets van een betrappen. Een vaststellen, dat anderen ook leven. De meesten zie er je namelijk slapen: op straat –maar wat is een straat als de meerderheid van de bevolking ze toch niet gebruikt, want slaapt?–, in hangmatten, tussen hooibalen of weelderig ingericht en voorbereid in luxueuze slaappaleizen. Ze zijn zoals de bomen, de slapenden, onverplaatsbaar in hun enige activiteit: er-zijn en daar-liggen. 

  De vrede in Halda Oà ook, omdat oorlogen geen zin hebben verder te worden gezet, daar de manschappen ofwel slapen, ofwel in die enkele bewuste dagen het leven meer appreciëren nu er niet wordt geslapen. En dan nog die vertederende aanblik van de slapende vijand! 

  Eéndagsverliefdheid. Tweedagenvriendschap. Tiendagenmanie. 

  Vrouwen worden plots hoogzwanger wakker en baren onvoorbereid een kind, toch slapen dra met hun zuigeling opnieuw verder in...

  Men is in Halda Oà door alles gefascineerd maar tegelijk diep onverschillig. Met wie men zijn indrukken zou kunnen delen? Met een slapende misschien? Omdat deze mensen in Halda Oà uiteindelijk meer met zichzelf dan met anderen bezig zijn –anderen: uiteindelijk zij, die slapen– heeft men daar dan ook de taal verleert. Iedereen is er, eens wakker, bezig met zichzelf en zijn eigen indrukken. Tastend aan alles en die ene werkelijkheid…

  Die ene? Of men in Halda Oà dan niets te zeggen heeft? Men spreekt er in zijn dromen, in een eigen, heel nieuwe grammatica aan slaap. 

  Beslist, de slaap wordt in Halda Oà als een tweede, evenwaardige vorm van ervaring gezien. Iets waarin men voelt. Iets waarin men ervaart. Iets waarin het beleven pas echt volledig mogelijk is. 

  In Halda Oà, het land waar men de slaap voelt, heeft men geen schrik voor de dood. In Halda Oà heeft men angst voor het leven. Angst dat het leven, eens wakker, mogelijks meer uit de droom had kunnen halen.