Zduma

    Zd - Zdu·ma 

    1 Element met symbool Zd en ontbrekend atoomnummer - zie tabel van Mendelejev, over twintig jaar. 
    2 Het begrip schijnt tevens in het oud-Russisch op te duiken. Здума: rare gedachten. 

    Zduma daarom als overgangselement en symbool voor gebeurtenissen die in het heden geen betekenis vinden. 
    Zduma weerklinkt in het gekende vraagstuk of een boom geluid maakt als die in een bos zonder omstaanders omvalt. 
    Zduma is echter niet de vraag of betekenis nog bestaat wanneer niemand ze verneemt. 
    Zduma gonst diepliggender: of bestaan dan überhaupt nog iets betekent. 
    Zduma gonst in het gedruis van zulke vallende, niet-bestaande bomen. 

    Niemand zit te wachten op bomen die niet vallen...
    En toch gebeurt er zo veel, voor de bomen, die in hun niet-bestaan het bos doen daveren. 

    
Zduma wil dit domein van vallende bomen verder uitdiepen en het gehoor nauwkeuriger aan het inexistente leggen. Daarom werd in september 2019 »Zduma«, het fictief tijdschrift voor literatuur gegrond. Een magazine waarvoor periodiek bijdragen verschijnen: interviews met eigen personages, verslagen van verzonnen musea of essays over andere onwerkelijkheid, die seismografisch gehoor aan het onbestaande leggen.



   Zd - 4

Uit: Zduma. Fictief tijdschrift voor literatuur. Februari 2020.

   De wafels van het onwerkelijk verdriet. 

     Zestien januari was het opnieuw zover. Tijdens de derde zaterdag van januari mochten we op onze kalender al voor de negende keer de dag van het onwerkelijke verdriet aftekenen. Op deze hoewel intussen toch reeds aan haar negende editie toe nog steeds clandestiene maar uiterst eigenzinnige dag vraagt men overal ter wereld aandacht voor onwerkelijke problemen, fictief verlies en onmogelijk verdriet. ‘Onbegrijpelijk!’ denkt u afkeurend? Kent de wereld al niet genoeg w e r k e l i j k e problemen? Zduma vroeg het aan de bedenker van deze opmerkelijke dag, die voor dit artikel liever anoniem bleef. We interviewden hem tijdens een boerenkermis. Een verslag van een interessante namiddag. 

     Chipolata met candijsuiker. Acnetaart. De Mona Lisa met witte sneakers. Drie geamputeerde diabetische tenen. Van Jelle Cleymans op strijkers tot heimelijk verlangde geelzucht. Het onwerkelijk lijden is werkelijk eindeloos. Een reden te meer, stelt onze naamloze man, er tenminste één dag bewust van te zijn. 

     “Ieder jaar opnieuw is het een bijzondere gebeurtenis. In wezen is het geen gebeurtenis” verklaart onze naamloze man mysterieus, “maar een verwerkelijking van dat wat niet gebeurt!” 

     Het zal niet de enige cryptische uitspraak worden. Dat we ons uitgerekend hier, tijdens een boerenkermis, ontmoeten is uiteraard geen toeval. Een feest door ons naamloos karakter zorgvuldig uitgekozen. Echter hij waarschuwt ons meteen: “Een volkse boerenkermis, denkt u, waar varkenspoot, beuling en haring wordt verkocht? Wat de onwetende bezoeker hier niet weet, is dat deze festiviteit een verborgen agenda verhult. Hier, zoals vandaag elders in België, celebreert men de dag van het onwerkelijk verdriet.” 

     Er volgt een betekenisvolle knipoog. Toegegeven, wij met Zduma zien enkel brave burgers en landbouwers die zich reeds om tien uur ’s ochtends overgeven aan trappisten, jenever en gerookte haring. Toch een ontmaskerende knipoog zindert wantrouwig in de passanten na. 

     “Kan u aan onze lezers kort uitleggen waar de dag van het onwerkelijke verdriet juist vandaan komt?” 

     “U moet weten, we leven thans in een overmacht aan actualiteit. Deze hele informatiestroom, we geraken onmogelijk nog bij. Zelfs het nieuwe komt al te laat. Dit is een hele nieuwe conditie waaraan de mens plots blootgesteld wordt, diens dagen sinds het ontstaan van de mensheid nochtans uit een zekere verveling en afwezigheid bestonden. Wij willen deze afwezigheid, volgens ons een wezenlijk onderdeel van het dagelijkse voelen en ervaren, behouden alvorens het voorgoed verdwenen is.” 

     Alvorens de afwezigheid verdwenen is – het klinkt eerder als een ambigu apocrief geschrift dan een feestelijk motief. 

     “Excuseer, maar is ‘het afwezige’ de facto al niet – iets verdwenen? Kan u dit pleonasme misschien wat meer toelichten?” 

     “Kijk maar eens goed naar de bezoekers hier.” Onze naamloze man krijgt enkele witte en citroengele jenevertjes aangeboden en speelt deze gespierd naar binnen. Vervolgens verklaart hij met een hoekig glimlachen: “Wat u niet weet is dat de mensen die u hier ontmoet niet deze mensen zelf zijn.” 

     “Hoe bedoelt u dat?” 

     “Spreek maar eens iemand aan. De mensen stellen zich als Jos, Patrick of Mathilde voor. Denkt u vooral niet dat ze dat zijn! Tenminste vandaag niet. Ieder slaagt er voortreffelijk in zichzelf thuis achter te laten.” 

     Bij de start van Salphenkermis wordt ieder jaar symbolisch een varkenskop verkocht. Dit moment, wanneer de varkenskop als een overwinningsbeker de lucht in wordt gestoken, is voor onze naamloze man meteen één van de hoogtepunten en tegelijk het symbolische startschot van een etmaal onmogelijk verdriet. De varkenskop als opgaande zon, die honderden mensen samenbrengt als verwachtte men een komeet aan de hemel. De realiteit blijkt minder poëtisch. 

     “Niemand heeft werkelijk interesse, toch iedereen biedt er op! Men doet dus maar alsof! Maar let op: niet het alsof van het gewone, dagelijkse leven, waar iedereen doet alsof hij weet en doet. Dat is het ‘m net. Ik doel op een ander alsof!” Vervolgens verklaart onze man in wel erg associatieve gedachtesprongen: “Zelfs de UNESCO was geïnteresseerd in ons initiatief en benoemde in onze eerste jaren het onwerkelijk verdriet terstond tot werelderfgoed!” 

     De trappisten worden intussen vlotjes gehesen. Onze onwerkelijke man schuwt moedige uitspraken niet. Toch het blijkt correct: ieder jaar wordt er wel degelijk een hele én een halve varkenskop verkocht. Eveneens het verhaal van de UNESCO-erkenning blijk correct. 

     “Helaas heeft de dag van het onwerkelijke verdriet vorig jaar haar UNESCO-toekenning verloren, nadat iets over onwerkelijk lijden met judaïsme werd verbonden.” Meteen de reden waarom onze gast liever anoniem blijft, naar eigen zeggen uit vrees voor Bijbelse represailles. 

     “Onwerkelijke uiteraard” knipoogt de naamloze bedenker. “Het blijft een treurig voorval. Helaas werkelijk.” 

     “Laten we het dan maar over die onwerkelijke problemen hebben!” 

     “Een uitstekend idee!” 

     “Kan u voor onze lezers de vinger iets meer op dit eerder vermeldde onwerkelijke leed leggen en hen kort toelichten waar dit allemaal juist over gaat?” 

     “De feestdag van het inexistente verdriet is een hoopvolle dag voor alle gevallen. Zoals u ziet: iedereen is hier! Arm en rijk, jong en oud, mooi en lelijk: iedereen kent zijn onwerkelijke problemen. En laat ons net in dat wat we niet kunnen delen meer met elkaar verbonden zijn dan in ons dagelijks leven met al haar werkelijke problematerie! Dat is toch bijzonder, niet?” 

     “Uiterst! Alleen hebben wij het nog niet helemaal begrepen. Wat doet men dan juist op deze dag?” 

     “Ontmoet men iemand, stelt men zich bijvoorbeeld als Marc voor.” 

     “Als Marc?”

     “Jazeker. Ach, het onwerkelijk lijden dat men heeft, ware men Marc geweest! Als Marc schudt men vandaag handen. Hoe anders het ontmoeten dan reeds voelt! Een bescheiden, onderdrukt krullen ontspringt plots in de mondhoeken, toch innerlijk moet men reeds breed glimlachen! Bij de Marc begint het reeds!” 

     “Ja, bij Marc begint het reeds… Maar wat begint reeds bij hem?” 

     “U heeft zich nog nooit als Marc voorgesteld? U moet het vandaag beslist eens doen. Iedereen doet het hier. Het is een zegen en een glimlach! Daarom zijn we natuurlijk hier.” “Het zit namelijk zo”, vervolgt onze naamloze spreker na een kort oponthoud met drie andere Marcen en evenveel trappisten: “Het leven, in de situaties waarin het zich voordoet, maakt een aantal vragen, gevoeligheden en verwerkelijkingen onmogelijk. Net omdat het zich voordoet in de situaties waarin het zich voordoet! De vraag is daarom of we het leven überhaupt wel kunnen kennen, en niet eerder slechts situaties waarin het zich actualiseert. Ik denk namelijk dat dit de geheime betekenis van de varkenskop is. Enfin, deze soort onmacht, die sluipend in iedere ervaring ligt…”

     “Excuseer welke onmacht?” 

     “Die onontwijkbare, geheven varkenskop die ons aankijkt! Dit gevoel dat »dit« uiteindelijk jouw leven is. Half of volledig, het kijkt terug! Kortom gevangen in het eigen lot, in de poëzie van onze geschiedenis: opgewonden zijn, aarzelen en niet durven. Wel vandaag schamen we ons er eens niet voor maar dragen we er uit voor.” 

     “Neem me niet kwalijk, draagt men uit de varkenskop voor?” 

     “Uit deze poëzie.” 

     Onze naamloze man praat met zulk een vanzelfsprekendheid over de Salphense dingen hier, dat we ons haast schamen over onze vragen. Hij legt uit, gaat verder, schudt intussen handen, gaat gesprekken aan, kapt ginds een trappist achterover, stelt zich inderdaad als Marc voor, maar vermeldt ook schijnbaar betekenisloze dingen, een wedstrijd om ter ’t gestrekte wijsvinger hebben bijvoorbeeld en voert ons dan weer naar de volksdansen door de Sint-Jorisgilde, om vervolgens zelotisch verlekkerd naar tot barstens toe gebakken zwarte pensen en in boter aangebrande varkensoren te kijken. We lopen netjes achter hem aan. Zduma ziet er niets van onwerkelijk verdriet in. 

     “Ik zoek de wafels” zegt Marc. “Iedereen zoekt ze hier. Ze zijn de lekkerste van allemaal, maar niet te verkrijgen. Vorig jaar gestorven...” 

     “Marc, om nog even terug te komen. Wat wordt juist voorgedragen? Kan u misschien een voorbeeld geven? Het lijkt allemaal nogal abstract en droevig.” 

     Zoals een zwemmer van op de waterkant met twee gevouwen handen aanstalten maakt om te springen, zo zien we Marc, hij lijkt wel getransformeerd, plots in zijn trappistenglas duiken. Vervolgens duikt hij weer boven. 

     “Kijk, u kan een arts moeilijk bezoeken om hem vervolgens te vragen welke aandoeningen hij het mooiste vindt. Het dagelijks leven waarin we ageren sluit een aantal handelingen, gevoeligheden en antwoorden uit. Dat is jammer. Het zijn net dit soort gevoeligheden die we in de dag van het onwerkelijk verdriet op het leven heroveren.” 

     Mocht de vertwijfelde lezer, net zoals wij overigens, intussen denken dat de dag van het onwerkelijke verdriet een onbegrijpelijke dag van diepe filosofische consternatie of existentiële radeloosheid is, wacht nog even het oordeel! Onze naamloze man garandeert: het is één groot existentieel feest. Eén voor die vragen die men in het leven doorgaans niet kan stellen en voor de dingen die men doorgaans niet kan voelen, die plots mogelijk worden eens men Marc is. 

     Marc spreekt enkele omstaanders aan. We horen volgende vragen: “Of men het strijkijzer omgekeerd in het hondenhok heeft gezet? Of men de paarden met floeren zeep heeft gewassen? Of de jarige leugenaar het riet heeft bijgeknipt?” 

     We moeten toegeven: de poëzie van het alledaagse, waaruit hier voorgelezen wordt, kent wel heel bijzondere proposities! Marc straalt. “Plots krijgen de dingen andere betekenis!” Hij behartigt ons dat de dag van het onwerkelijke verdriet, hier op Salphenkermis of elders in het land, allerminst een fiasco betekent, maar net de bevrijding van een verstikkende logica die alles gevangenhoudt. 

     “Op zestien januari bijvoorbeeld kan men zijn broek achterstevoren dragen! Kijk! Marc draagt zijn broeken steeds achterstevoren” verklaart Marc, die enkele gesprekken later vanzelfsprekend tot Marcel transformeert, en wijst trots naar zijn broek. “Weet u, wij knopen onze nestels terwijl we naar het volgende drama vertrekken. Een heel jaar lang knopen we bij een nieuw drama aan. Slechts jarige leugenaars of omgekeerde strijkplanken doen ons even aan deze eindeloze, werkelijke verknoping met de dingen ontsnappen.” 

     Marcel, ja intussen Marcel, lijkt ontbolsterd. Dit is zijn jaarlijkse, onwerkelijke hoogmis. “Alsmaar meer mensen ontdekken de waarde en vreugde van deze buitengewone dag. Vaak ontstaan er ergens”, vervolgt Marcel, “in iemands huiskamer of in een bescheiden kroeg, een spontaan feest –werkelijk of onwerkelijk– en durft er al wel eens iemand op tafel dansen. Wanneer dit de derde zaterdag van januari gebeurt, kijk niet vreemd op, maar ga op deze feestende toe en fluister hem of haar vervolgens wat onwerkelijks in de oren.” 

     Onze onderzoekende blik verschuift van Marcel naar de bezoekers op Salpenkermis. Gedragen deze mensen zich hier werkelijk anders? Hebben zij zichzelf thuisgelaten? Wenden zij werkelijk wat onwerkelijks voor? Maar, is dit dan evenmin geen – werkelijkheid? 

     Voorwaar! Ginds wordt op de tafel gedanst. Daar heeft iemand zijn broekrits open! “Geen toeval” weet Marcel. “Kijk daar, daar waagt iemand zich aan een poging boeren te fluisteren.” 

     “U bedoelt: aangezien dit een boerenfeest is, landbouwlieden iets toe fluisteren?” 

     “Neen hoor. Boeren fluisteren. Geen boer laten, maar er één fluisteren. Probeer het maar eens! Het mooiste is wanneer men hier op Salphenkermis in deze magie meegaat en zich overgeeft aan ieders onwerkelijk leed. Dan verschijnen de mensen… bijna als een embleem.” 

     Een embleem? Toegegeven, Marcel heeft een bijzondere manier van spreken. Toch hij slaagt er uitstekend in, zolang de trappisten tenminste volgen. 

     “Marcel”, hoewel we intussen diens existentieel spoor bijster zijn geraakt nu hij zichzelf in gesprekken als ‘Gwen’ voorstelt, “kan u de lezer toch eens uitleggen waarom nog eens onwerkelijke problemen uitvinden, wanneer we voor diegene, die zich dagelijks stellen, al haast geen oplossingen vinden?” 

     “Net om aan deze impasse te ontsnappen!” grapt Gwen al happend naar een met tussen duim en wijsvinger opgetrokken staartvin van een gerookte haring. “En aangezien ieder lijden in wezen onbegrijpelijk is, kan het in haar onwerkelijke variant niet zo veel van haar werkelijke tegenhanger verschillen? Niet? Want is bijvoorbeeld het lijden van Madame Bovary of Jerry (uit Tom en Jerry, red.) dan werkelijk minder werkelijk dan haar werkelijke variant?” 

     “U suggereert dat lijden een zekere exclusiviteit verlangt?” Gwen bevestigt. Salpenkermis – het klinkt stilaan als een kernwoord uit een filosofisch curriculum, een gemeenplaats voor ieder gevoelig meerwaardezoeker. Toch we zien hier enkel gemorste trappisten, geopende broekritsen en zich als Marc voordoende mensen. 

     “En waar ligt dan juist het verschil tussen de werkelijke en onwerkelijke variant?” 

     “Dat het zogezegde onwerkelijke lijden die exclusiviteit, die haar nochtans evenzeer toekomt, nooit krijgt. Maar niet op Salphenkermis en de dag van het onwerkelijk verdriet. Dan krijgen de mensen exclusiviteit voor wat ze nooit waren: jarige leugenaars, floeren paarden, vastberaden handenschuddende Marcen en dansers op tafel met hun broek achterstevoren.” 

     “Was het niet floeren zeep op paarden?” 

     “U meent het onmogelijke exhaustief te kennen?” Gwen maant aan tot probalistische bescheidenheid. Langzaam valt de avond, toch de trappisten blijven komen. Ook het aanwezige volk neemt duidelijk toe. Mensen stellen zich voor in een veelheid aan namen. Cindy’s, Jonathans, Laurensen en Dorienen. Overal spreekt men plots de Burgmeester van het dorp: reeds vier mensen stelden zich als hem voor. Marcen, Sonja’s en Patricken hoort men praten en al pratend hun onwerkelijke problemen verwerkelijken. Ook Tilly (van Thuis, red.) loopt hier tot onze verbazing rond. 

     “De gabber van het plaatselijk café” verklaart Gwen. “Ieder jaar is hij een ander thuispersonage. Dit jaar koos hij voor Tilly’s onwerkelijk leed.” 

     “Maar Marc” – “Gwen” – “Excuseer, Gwen, waarom is het dan zo belangrijk dat deze dag over onwerkelijke problemen gaat en pakweg niet als de dag van het onwerkelijke plezier beleeft wordt? Waar ligt juist het onderscheid?” 

     “Dat we in ons leven al genoeg gedwongen worden problemen en lijden zwijgend mee te dragen. De dag van het onwerkelijk verdriet, die intussen aan haar negende editie toe is, is slechts één actie waarmee wij aandacht voor deze problematiek vragen. Regelmatig organiseren wij onwerkelijke Marc-betogingen in Brussel of verkopen suikerwafels als inzamelactie voor onwerkelijk verdriet.” 

     Het lijkt ons allemaal wat vreemd en onbegrijpelijk. Ons naamloos karakter, dan Marc, Marcel, tenslotte Gwen, intussen Erik of een ander tandwiel in draaiwerk van onze onwerkelijke problemen, schijnt alsmaar te willen garanderen dat op zestien januari we het gordijn van onze existentie zomaar even optillen, of misschien juister: weten te verhangen door een nieuwer. Tegelijkertijd lijkt niets van wat deze mensen hier doen, van varkenskoppen hijsen tot hun met bier gemorste broeken achterstevoren dragen, daar ook maar iets mee te maken te hebben. 

     We staan voor een impasse. Worden wij met Zduma er in geluisd? Is er misschien een complot tegen ons gaande, waaraan iedereen hier mee doet? Of krachtiger – is er helemaal geen complot en doet iedereen gewoon maar wat? Klopt het dus toch… Gewapend met de journalistieke reflex tot zelfkritiek en het verlangen naar goed objectiverend onderzoek moeten we toegeven dat Zduma het Erik ook niet gemakkelijk maakt, wanneer Zduma hem aldoor bevraagt een niet-reflectieve activiteit reflectief te omkaderen. 

     “Terechte opmerking!” Erik heft het trappistenglas. Op tafel dansend en in gezelschap van twee vrouwen knipoogt hij ons toe: “De dag van het onwerkelijke lijden, daar spreekt men vaak ook nog eens af met oude geliefdes. Mannen of vrouwen bijvoorbeeld die men nooit had kunnen krijgen. Vervolgens celebreert men zijn niet-geworden leven.” 

     Zijn leven te leven zodat men het in de herinnering pas beleeft – op Salphen gebeurt het. Het is werkelijk een huzarenstuk. Wat hier allemaal samenkomt, is uiterst overwogen en verregaand. Een wormhole. Laurens zag hier zijn eigen jeugdige slungel terug. Dorien ontmoette de vader van haar nooit ontvangen dochter. Tilly voerde er een onuitgevoeren Thuis-script op. Ja, ons respect: Marc, of wie hij vandaag ook wil wezen, is een groot denker. De dag van het onwerkelijk verdriet schijnt werkelijk een dag te zijn die mensen met elkaar verbindt. Want, en daarin moeten we Marc gelijk geven, de mensen kunnen in hun werkelijke tegenslagen, hun dagelijkse vreugde, hun werk of geluk verschillend zijn, maar niet in hun onwerkelijk lijden. De mensen hier vandaag, op Salphenkermis, of ze nu boeren fluisteren of wedstrijden wijsvinger strekken houden, zij weten waar ze bezig mee zijn. 

     “Dit is het jaarlijks moment”, stelt Erik, “wanneer men plots op tafel danst en iedereen vreemd lijkt op te kijken, dan wanneer men over strijkplanken of nominalistische varkensogen begint, toch de ingewijde die zich, instemmend, dankbaar begrepen voelt.” 

     Erik besluit: “De dag van het onwerkelijke verdriet verbindt. Kijk eens naar het feest hier! Mensen beginnen hier elkaar spontaan te omhelzen, uit het niets elkaars veters te knopen of een boer te fluisteren. De mensen die je deze dag tegenkomt, je wil ze alle broederlijk omhelzen; gesterkt door het weten dat men niets kan doen, niemand kan ondersteunen of anderen onmogelijk kan helpen. Hoe zou men hen in hun onwerkelijk verdriet ook kunnen helpen? Vraag het maar eens aan Tilly! Maar hoe bevrijd men is door dit gegeven! Eindelijk is men eens verlost van een niet-aflatende schuld, die men anders dagelijks meedraagt. Waarom?” – – 

     Erik slikt. De kleur trekt uit zijn gezicht. Onevenwichtig buigt hij voor- en achterwaarts. Ogen die de mist inkijken. Welke mist? Even lijkt ons gesprek in een open einde te vervallen, wanneer hij plots stilvalt en roerloos niets doet. Delirische stilte. Niets blijkt minder waar! Een korte, vakkundige dionysische pauze om vervolgens twee vers aangevoerde trappistenglazen, één in linker- en één in rechterhand, tegelijk te ledigen, onderbrak zijn filosofische slotrede! Een apologie uit dramaturgisch meesterschap, die zelfs Socrates' instemming zou kunnen genieten. 

     “Net omdat men deze dag niet zijn werkelijk, maar zijn onwerkelijk verdriet met zich meedraagt, kàn men niet helpen, en daarin vindt men pas echt elkaar. Ontdaan van het gevoel te moeten maar nooit te kunnen, celebreert men de derde zaterdag van januari in broederlijkheid door elkaar in het onwerkelijk gewordene van ieders leven niet te kunnen ondersteunen en gewoon maar wat te doen. Gewoon maar wat te doen...” 

     De derde zaterdag van januari, Salphenkermis of de dag van het onwerkelijke verdriet – toegegeven, achteraf weten we nog altijd niet wat we daar juist beleefd hebben. Het bleek een soort carnaval voor het onwerkelijk verdriet. Even tilt men onafwendbare, apodictische varkenskoppen op, leest men wonderbaarlijke poëzie voor, fluistert men boeren en worden de broeken achterstevoren gedragen. Niemand van de redactie bij Zduma merkte het ooit eerder, maar beste lezer, stelt iemand zich volgend jaar als Marc of Tilly voor of boert hij of zij je in de oren, weet ook u volgende keer wel beter: dat ons verdriet onwerkelijk is. En wie weet stapt ook u volgend jaar mysterieus op een vreemde toe en fluistert hem of haar vervolgens wat moois in de oren.

IMG-2440JPG

   
   Zd - 3

Uit: Zduma. Fictief tijdschrift voor literatuur. December 2019. 

   Het bijgeloof van de broccoli. 

      Vergeet de sterren: het staat geschreven in de groenten. De pompoenen, de rapen of de pastinaak: zij dragen ons lot en de voorspelling in zich. 

     Op social media kan men tegenwoordig niet naast de astro-vegetabilis kijken. Met de recente aandacht voor veganisme, biologische producten en urban jungles, wint deze nieuwe zienswijze bij young millenials zienderogen aan populariteit. Wij zochten de Deense ontdekker-antroposoof-schrijver-wetenschapper-occultist-physicus-therapeut-historicus-waarzegger-filosoof-handlezer Josef Rammenas op en vroegen hem voor Zduma deze week een horoscoop te leggen. 

     Stelt u zich voor: op dit eigenste moment, ja wanneer u deze zin leest, ontstaan er duizenden dingen. Garnalen worden geboren. Erwten ontkiemen. Boertjes broebelen in de maag van een kameel. Een buurvrouw sukkelt van de trap. Een zeepaardje draait haar nek. De kwallen volgen de stroming. Gist en schimmel vermeerdert. Een rode bloedcel deelt zich. Een planeet draait om haar as. Gebeurtenissen op aarde, kosmische botsingen in het heelal en in uitwisselingen in cellen kleiner dan het punt achter deze zin. Heden is één groot, kantelend ontstaansgebeuren. In dit kwantum aan ontstaan en gebeuren, waarin het grootste zich aan het kleinste spiegelt en elkaar ontmoeten, focust de astro-vegetabilis op ontstaansgeschiedenissen die iedere menselijke keuze beïnvloeden. 

     “Ik noem het de astrologie van de broccoli” verklaart Rammenas. “Een vegetatieve horoscoop. Het is geweten dat mensen van karakter verschillen. Nauwkeurige observatie van eetpatronen hebben wetenschappers en diëtisten de laatste decennia bijzondere kennis opgeleverd.” 

     “Het teken ajuin bijvoorbeeld is aanwezig in het merendeel van onze Westerse maaltijden. Het verklaart onze rationele, typisch Westerse blik. De consumptie van ajuinen heeft ons tot het soort mens gemaakt dat we zijn geworden. Het is gekend dat Descartes niet toevallig een fervent ajuineter was” glimlacht Rammenas. “Bovendien neemt de teelt van ajuinen exponentieel toe vanaf de Franse Revolutie. Plots maken in de negentiende eeuw kookboeken gewag van ajuinsoep. De bewijzen zijn er. Naar verluit at Einstein zelfs sneetjes rauwe ajuin! Slechts om tot de zuiverste inzichten te komen. Het is een mooi voorbeeld van hoe een horoscoop van groenten onze individuele en collectieve gedragingen kan verklaren.”

     Noten en basilicum, pompelmoezen als ontbijt of een schilfer gember op kaas: »zij« zijn de bewegende lijnen in een veel grotere hand van ons dagelijks handelen. Volgens Rammenas komt het er op aan de beïnvloedingsfactoren in onze dagelijkse levenslijnen bewust te worden. Dit is waar de astro-vegetabilis naar voren treedt. 

     “Het verband met de traditionele horoscoop is natuurlijk dat de sterren en planeten in verschillende seizoenen anders staan. Dit verklaart mee het verglijden der seizoenen, en bijgevolg ook de groenten die er groeien. De sterkte van de astro-vegetabilis in vergelijking met een horoscoop ligt net in het volgende: dat iedereen een bepaalde groente kan eten, ongeacht de maand waarin die geboren is. We merken in de astrologie dat Leeuwen soms wel eens Schorpioenen willen zijn. Maagden dromen wel eens van Watermanse gevoelens. Watermannen vervloeken wel eens hun gebrek aan Stiersheid. Bovendien, iedereen weet dat mensen tijdens hun leven veranderen: van voorkeuren, gevoeligheden, partners of identiteit. Hier biedt onze groente horoscoop verrassende inzichten. Niet alleen geeft de kleur van de groenten die men eet onbewust aan wat men nodig heeft. Er is ook het sociologische, maatschappelijke effect ervan dat we sinds kort nauwkeurig bestuderen. Zo zien we in de recente, geleidelijke reductie van aardappel uit onze tegenwoordige voedingsgewoonten duidelijk ook een nieuwe, meer gevoelige persoonlijkheid ontstaan. Een eeuw lang was de patat goed voor één derde van ons dagelijks avondmaal, dito persoonlijkheid. Vergelijk het met de heel andere cultuur en gevoeligheden van eskimo's of japanners: zij eten natuurlijk geen aardappelen. Tja, de aardappel” mijmert Ramanas, “verklaart nu eens echt de twintigste-eeuwse mens.” Er volgt een waarschuwing. “Zij die iedere avond chips eten zijn volgens de astro-vegetalia, de groentenhoroscoop, dan ook fervente nostalgici. Aardappeleters leven in een hang naar het verleden. Puree is niet voor niets het lievelingseten van vele historici.” 

     Zever denkt u? Niets van! Psychologie en wetenschap, geen elfjes. Gaat u dus bewust maar eens na wat u vorige week al dan niet gegeten heeft, maar ook met welke bloemen u zich op het werk of thuis omringt, hoeveel eieren de kippen bij de buren leggen, of de egel vorige nacht weer op het koertje langs is geweest en wat zich in uw kookpotten en koelkast bevindt: het maakt die bijzondere hedendaagsheid waarin we ons bevinden misschien wel inzichtelijker. 

     “Het grote voordeel aan groenten is natuurlijk dat zij nooit liegen” geeft Rammenas ons nog mee. “Dat niemand ooit op de gedachte is gekomen om in de verscheidenheid van mensen groenten te ontdekken! Slechts kinderen zien wel eens een gelijkenis in de bolle kaken van een buurman en een raap, of herkennen een lange, smalle tante in een asperge. Ja, de openbaring van de groenten is reeds gegeven in onze ervaring van elkaar. Mijn volgend boek waaraan ik momenteel werk toont dat zelfs uiterlijke kenmerken verklaard kunnen worden! O-benen door te veel artisjokkenzuur bij de conceptie. Schele ogen: te weinig pastinaak tijdens de zwangerschap. Er schijnt zelfs een verband te bestaan tussen depressies en kastanjes. Ach, er valt nog zo veel in groenten te ontdekken, en nog meer mee te verklaren!” 

     Herkent u zich wel in wat Rammenas omschrijft als de ajuinse rationaliteit of aardappelse nostalgie, dan lees ook even de beschrijving van het onderstaande teken uit Rammenas’ astro-vegetabilis. 

 *

     Pompoeneters kunnen er prat op gaan: een keuze die recent gemaakt is krijgt deze week bijzondere navolging. U doorziet anderen, waardoor er niet alleen op het werk iets kan veranderen maar eveneens in de liefde. Vergeet met pompoen op het menu echter niet uw partner of collega te vragen ‘wat’ of ‘waarom’ wanneer u voelt wat u voelt. De kracht van pompoenen verscherpt namelijk de emotionele intelligentie, maar wakkert daarmee ook het wantrouwen aan. Mogelijks ervaart u deze week daarom ook een zekere argwaan. 

     Wat het liefdesleven betreft zijn pompoenen slechte raadgevers. Beter kiest u voor grote hoeveelheden salie of rauwe ajuin: zij verhelderen het inzicht. We vermeldden het elders al eerder: wie daarentegen blind wil liefhebben en zich graag op een avontuurtje stort, drinkt beter enkele glazen tomatensap. Want omwille van de geïntensiveerde emotionele intelligentie die de pompoen bewerkstelligt maar mogelijks ook het toegenomen mistrouwen dat daarmee gepaard gaat, blijft pompoen toch vooral de groente voor ascetische, liefdeloze weken. 

     Pompoen is daarom de vrijgezellen groente per uitstek en vooral bestemt voor zij die graag tijd in zichzelf willen investeren. Het gevolg daarvan mag duidelijk zijn: nieuwe relaties en ontmoetingen zijn in het licht van pompoenen a priori negatief. Daarom één advies aan pompoeneters: stel deze week prioriteiten! Om zo niet alleen je aandacht en succes, maar mogelijk ook het eigen falen beter te begrijpen. 

     Geniet deze herfstgroente dus met mate: meteen een probleem van haar omvang! Pompoen komt steeds in een overdosis, waardoor ze haar effect mogelijks teniet doet. De onwetende pompoeneter verzandt in zijn saturerende, toegenomen emotionele intelligentie. De pompoeneter voelt, maar voelt zijn voelen niet. Vraag dus na, maar met mate. Stel prioriteiten en eet pompoen daarom misschien eerder op rustige weekenddagen.


    Zd - 2
Uit: Zduma. Fictief tijdschrift voor literatuur. November 2019. 

    Postmoderne groenten.

    Cultuurartefacten zijn zowel subject als object van menselijke interesse. Ze representeren identiteit. Terwijl ze voor iets staan en weergeven –een waarde, een bepaalde omgang of gebruik–, lijken ze eveneens zelfstandig te bestaan en te ageren in het domein van betekenis. Grote mythologieën sijpelen binnen in de cultuur van het alledaagse en installeren er gebruik. Anderzijds kunnen gewoontes en gebruik danig gewicht in het alledaagse leggen, dat hun belang tot een mythologische gemeenplaats wordt. Vandaag onderzoeken wij dergelijke gemeenplaats en bezoeken een wel erg bijzonder museum in Hochsauerland, Duitsland. 

    “Mensen zeggen dat ik van mijn huis een museum heb gemaakt, maar dat is niet waar” drukt Markus Möhrherr ons bij ontvangst stevig de hand. “Mij was het van meet af aan duidelijk dat ik een museum ging bouwen. En wat voor één!”
    Alvorens het museum meteen te betreden, volgen we Möhrherr naar zijn atelier waar hij deze ochtend nog druk in de weer is, duidelijk in roes van kunstzinnige schepping. Möhrherr ontvangt ons in zijn werkkledij. Uit zijn schildersmantel steekt een prei.
    “Als het op verse soep aankomt” steekt de kunstenaar van wal, “houd ik het graag internationaal. Ik kijk graag over de grenzen van mijn eigen traditie. Tegenwoordig ben ik vooral geïnteresseerd in Zuid-Oosterse varianten. Deze heel andere vorm van persoonsexpressie, deze meer figuratieve, duidelijk omlijnde, niet-Westerse vorm van verse soep – dit in onze musea kunnen halen acht ik als mijn grote verdienste.”
    Dit hadden wij natuurlijk niet verwacht. Möhrherr voert ons door verschillende ruimtes van zijn museum. In iedere ruimte staan kommetjes soep, dampende kookpotten, bizarre soep-installaties of half aangegeten soepborden. Het lijkt wel een laboratorium aan soep. Een draaikolk van geuren –ajuinsoep, courgettesoep, minestrone, champignonezooi– vermengt zich in de ruimtes en in het bewustzijn van de bezoeker. 
    “Ik bekijk verse soep als een embleem” zegt Möhrherr met de oogleden gesloten.  
    “Soep als een embleem?”
    “Van het alledaagse.”  
    “Toegegeven” merkt na een korte reflectie onze kritische, journalistieke blik op, deels in de poging het gesprek naar iets exactere omschrijvingen te brengen, “een museum over verse soep, is dat logisch bekeken geen contradictie?”
    “Hoe bedoelt u?” vraagt Möhrherr bedenkelijk. 
    “Een museum, uitstelraam of verzamelplaats –welk begrijp u ook verkiest– van het dagelijkse leven, enfin verse soep, is dat in wezen niet onmogelijk? En indien het toch mogelijk zou zijn, is het dan geen overbodige weergave? Een kopie?”
    “Bravo! Nu gaat u niet alleen naar de essentie van verse soep, maar ook het kunstwerk –ieder kunstwerk– überhaupt! En dat niet toevallig in dit museum… U ziet, mijn tentoonstelling mist zijn effect niet. Want laat het net deze dubbelzinnigheid zijn die men bij een kop verse soep misschien niet proeft. Toch zodra men eens het museum van de verse soep bezocht, verzeker ik u dat er geen bezoeker is voor wie verse soep ooit nog hetzelfde zal zijn. En er is meer!”
    “Meer?”
     “Dagelijks nieuwe kunst! Dagelijks nieuwe creaties…” mompelt Möhrherr. “Mijn museum van de verse soep is werkelijk een ongelooflijke plaats. Uniek in de wereld.”
    “Excuseer me dat ik het nog eens herhaal, maar is het geen kopie van het echte leven?”
    “Wanneer de bezoeker dit vaststelt, is die reeds halverwege in de paradox en het raadsel van verse soep doorgedrongen! Deze tegenstelling is namelijk niet eigen aan het museum van de verse soep, maar aan verse soep zelf!”
    De paradox van de verse soep. Daarover hadden wij nog nooit nagedacht. De soepen dampen hier als een haard. Komkommersoep, bakso-soep, soep met gekookte vis, erwtensoep, wortelsoep, worstensoep, noodle- of sojascheutensoep. Een welriekend kunstwerk (en vooral museum!) -- dat kende wij nog niet. En met zo nu en dan een grommende maag trekken we verder door de exhibitie.
    Ajuin, prei, selder – zoals de hoofdkleuren voor de schilderkunst zijn deze de basisbestandelen van Möhrherr’s kunst. Möhrherr spreekt van een levenswerk. Zelf heeft hij al meer dan honderdduizend keer verse soep gegeten. Honderdduizend keer? Horen we deze eigenzinnige liefhebber van subtiele kunst niet iets te veel pronken?
    “Natuurlijk geen hele porties” nuanceert Möhrherr. “Eén lepel, even proeven volstaat al. Daarbij gaat het steeds om het unieke van het scheppen en de creatie. Als kunstenaar ben ik vooral in de eenmaligheid en onherhaalbaarheid van het moment geïnteresseerd. Daarom duren mijn tentoonstellingen ook maar één dag. Dàt is het leven, de duur, de tijd. Het heden.”
    Het weerklinkt als een amen. Het heden. Daarmee is het toverwoord gezegd. Inderdaad, de tentoonstelling mist zijn effect in het heden niet, en als geïnteresseerd toeschouwer geraakt men na een dik uurtje rondlopen in deze geurende ruimtes tussen borrelende kookpotten en geurende soepborden best wel geïnteresseerd in dat exemplarische heden!
    “Wat u daarnet zei”, knoopt Möhrherr opnieuw bij het gesprek aan terwijl hij in een grote kookpot met oranje soep roert, "het museum van de verse soep voert ons mee naar exact die spanningsboog binnenin de hedendaagse kunst. Het moment, exemplarisch weergegeven: ja, wéérgave, aldus gevangengehouden, maar onmogelijk te bezitten, onze omgang met het leven zelf…”
    Het is duidelijk: het eigen worden van verse soep is niet eenvoudig te ontwaren. Zeker niet wanneer Möhrherr, adept en connaisseur van deze alchemie der groenten, zijn zinnen niet afmaakt. Deze eigenzinnige kunstenaar spreekt zowaar over het Zijn. Maar let op, niet het zijn van een kom verse soep, maar tout court.
    “Plato en de zijnen!” vervolgt hij. “Hun filosofie zou niets zijn zonder de omnipresentie van verse soep in de menselijke geschiedenis. Parmenides! Niets anders dan verse soep. Soep: het is onmiskenbaar de ontbrekende schakel in de Griekse wijsbegeerte. Geen één classicus die daar ooit aan heeft gedacht. Want raadt eens wat het Water van Thales van Milete en het Vuur van Heraclitus verbindt? Jawel! Soep! Soep is alles” besluit Möhrherr. Vervolgens mompelt hij: “Alles is een soep...”
    Möhrherr voert ons naar het pronkstuk van de collectie , de David van Michelangelo van het versesoepmuseum zeg maar, een reusachtige, industriele soepmachine die volledig autonoom eigen groenten snijdt, een boullion trekt en het geheel met zout en peper op smaak brengt. Intussen spreekt Möhrherr over de gewelddadigheid van prei, maar dat hebben we niet helemaal begrepen.
    “Ik slaap tussen mijn soep” bekent Möhrherr. “Een eigen kamer, wie heeft dat nodig? Soms wil ik getuige zijn van het moment wanneer de soep zuur wordt. Hoe het pendel overslaat. Soep als cultuurproduct is uitermate postmodernistisch. En daarbij is het millennia oud! Ja, deze spanning, die paradox, komt tot uiting in onze tentoonstellingen.”
    Möhrherr spreekt vaak over ons, terwijl wij toch maar één man bezig zien. “Alles is míjn werk verzekert hij. Met ‘ons’ doel ik op de ruimere ervaring: mijzelf en de groenten. Ik en de kunst. Ik en de soep. Iedere kunstenaar kent het. De ervaring van iets groters, uiteindelijk het wezen van verse soep, zulke ervaringen kunnen alleen maar in een wij uitlopen.”
    “Tot de universalia van de soep behoort haar uniciteit” verklaart Möhrherr, duidelijk een soepkenner. “Soep is een nominalistisch iets. Verse soep bestaat alleen maar in haar verwerkelijking. Echter gebeurt het zelden dat iemand zijn soep slurpt vervolgens in cultuurhistorische, laat staan filosofische contemplatie of metafysische twijfel vervalt. Veeleer is het zo dat de gewoonte, wordt ze herhaalt, zich nog meer onttrekt aan de sfeer van het begrijpelijke en het verstaan.”
    “Herr Möhrherr, welk verstaan?”
    “Ha, het verstaan van verse soep natuurlijk. Het is net in mijn tentoonstelling waarin ik de begrippelijkheid van verse soep centraal wil stellen.
    “Excuseer, de begrippelijkheid van verse soep?”
    “Jazeker, en toch is zij concreet daar! Soepie Soepie!”
    Voor het eerst legt Möhrherr de kunstzinnige ernst van zijn metier naast zich neer en tovert een liefelijk kinderlijke expressie op zijn gezicht. Hij kijkt zijn soep zo aandoenlijk toe als keek hij naar een knuffelbeer.
    “Soep is meer dan de platte metafoor van de nabijheid van kunst in ieders leven. Ik vind het een belediging wanneer de bezoekers dit van mijn museum denken. Het is net de verborgenheid en het zichzelf onttrekkende karakter van de soep die centraal staan. En toch is verse soep concreet daar!”
    Het valt ons moeilijk in soep iets anders als soep te zien. Laat staan in soep iets verborgen te vooronderstellen. Möhrherr voert ons daarom naar een installatie in zijn museum, waar verse soep uit glazen bokalen dampt. Möhrherr houdt ze vervolgens in het licht.
    “Preisoep. Voor de bezoekers, om hen een zetje te geven. Los van het feit dat ik het uiterst interessant vindt, dat wij onze soep telkens van bovenaf zien, vanuit soepperspectief zeg maar, of nu in potten of borden, maakt niet uit, ach ik droom van zeeën van soep! Wist u dat ik enkele jaren terug een zwembad van verse soep ontwierp en zo mijn droom kon verwerkelijken, eens in verse soep te zwemmen. Dat was een kunstwerk...”
    “Herr Möhrherr, waar voert dit naartoe?”
    “Juist, los van wat dat soepperspectief over ons zegt –over ons!–, niet over de soep, dat wij onze soep steeds van bovenaf zien, bied ik de toeschouwers graag een ander perspectief op soep. Verse soep langs beneden kunnen bekijken, langs op zij, vanuit een schuine hoek. Ja dat is wat... Dat opent een mens zijn ogen en het begrip.”
    “Toch zie ik nog steeds soep en niets verborgen.”
    “Uiteraard! Het is om de bezoekers een duwtje te geven, meer niet. Manieren van kijken en begrijpen moeten geleerd worden, net zoals een nieuwe taal. De taal van de soep. Weet u, men moet de soep toelaten. Men moet de soep toelaten... Uiteraard blijft het wezen van de verse soep verborgen. Zelfs van onderaan bekeken! Dat is het net! Toch bij dit inzicht aangekomen, hier vanuit bodemperspecitef, suggereert zich aan de bezoeker een nieuwe dimensie. Misschien onttrekken de soep en haar wezen zich wel van ons, sluiten ze zich in zichzelf op om niet gezien te worden? En toch zien wij de soep! Wat een geheim, wat een wezen...”

    Het hermetische karakter van verse soep. Zo hadden wij het nog niet bekeken! Gewapend met dit nieuwe inzicht voerde Möhrherr, de soepkluizenaar uit Duitsland, ons nog verder door de afdeling met kunstwerken van Midden-Oostelijke, Russische of Latijns-Amerikaanse oorsprong.
   
    Bij onze terugkeer in België daagde ons nog steeds het mysterieuze wezen van de verse soep en konden wij niet aan het appel van de soep weerstaan, waardoor wij in ons enthousiasme volmondig een Brusselse brasserie binnenstapten om sito presto een kop verse soep te bestellen! Met een knipoog vertelden wij de serveuse nog over de paradox van postmoderne pompoenen, het Vuur van Heraclitus en soep haar pre-socratische oorsprong. Ja, de begrippelijkheid van de soep! Soep moet men toelaten. En dat ondanks het geserveerde soepperspectief wij er wel andere dingen in zagen! En terwijl we de vluchtige essentie uit het opgediend soepbord zagen dampen als verscheen aan ons het amen, antwoordde aan de andere kant van deze dampende essentie een afwerend glimlachen en nog betekenisvollere stilte. 


  Zd - 1

  Uit: Zduma. Fictief tijdschrift voor literatuur. Oktober 2019

  De herfst achtervolgt. Een getuigenis. 

    Voor onze eerste editie stuurden wij onze reporter helemaal naar het hoge Noorden in Canada, om er één van zijn eigen personages in volle actie te ontmoeten! 

    In het dagelijkse leven is Priscilla Mist onherkenbaar. Mocht men het niet weten, men zou het niet zien. Maar wanneer ziet men haar eigenlijk? En wat valt er niet te herkennen? Wat viel er juist niet te zien? Wanneer men het dan wel kon weten? ‘Excuseer, waar gaat dit juist over?’ vertrekt de lezer het voorhoofd. Toegegeven, na haar verschijning in het boek De schoenen van de Sultan bleven er een aantal zaken onduidelijk. Wij zagen in het aanbreken van de herfst geen betere gelegenheid om het personage zelf aan het woord te laten en dus zochten we haar op in een Canadees natuurpark, volop bezig aan het werk. 

    “Ms. Mist, kan ik stellen dat herfst voor u niet zomaar een seizoen is?” 

    “Dat klopt. Allereerst duurt herfst bij mij vier seizoenen lang. Het is strikt genomen dus geen seizoen maar een jaar. Dat is op zich dan ook weer niet helemaal juist. Maar daarover misschien later meer. Enfin, reeds in de zomer trek ik naar het uiterste Noorden om daar alles in gereedheid te brengen. Dan is de herfst voor mij reeds begonnen. Tot ik uiteindelijk zo ver in het Zuiden ben doorgetrokken, dat verder zuidwaarts geen verdere betekenis heeft.” 

    “Hoogst interessant, iemand zoals u! Betekenis – voor zij die het boek niet gelezen hebben, kan u de lezer nog even zeggen wat u doet?” 

    “Ik bezoek ieder jaar het hoge Noorden om er als eerste over de herfst te getuigen. Ik ben er namelijk voor verantwoordelijk. Het is geenszins eenvoudig de herfst te ontlokken, toch ieder jaar opnieuw slaag ik er in. Dan ga ik verder naar het Zuiden. Mijn opdracht zit er op wanneer ik de natuurlijke grens met de cactusvijgen en mandarijntjes heb bereikt. Vervolgens reis ik vliegensvlug naar de Zuidpool om daar hetzelfde te doen, zij het in noordwaartse richting. Kortom ik schenk de wereld dat wat onze taal niet heeft.”

     “En dat is?” 

    “Herfsten. Twee per jaar.” 

    De kinderlijke opwinding waarin Ms. Mist verkeerd valt niet te miskennen. In een vingerknip is haar aandacht verdwenen. Vervolgens woelt zij verder in de bomen, in takken en struiken, tussen wortels of in de grond. Even denkt men – hier is een menselijke eekhoorn bezig. Herfst is voor haar een pretpark. 

    Na haar en haar werk twee dagen in stilte begeleid te hebben wrijft Ms. Mist zich vervolgens in de handen, bij het zien van de eerste, vergeelde boom. “Mijn werk zit er hier op” verteld ze gedecideerd en vertrekt, zoals een kunstenaar met de rug naar het eigen kunstwerk gekeerd, Priscella Mist met de rug naar haar schepping, enkele honderden kilometers zuidwaarts. 

    Priscilla, Pessy voor haar weinige vrienden, is naar eigen zeggen helemaal anders tijdens haar werk dan in het echte leven. Ja, hier valt een buitengewone vreugde en tevredenheid op, maar eveneens uitzonderlijke concentratie en bezieling. Maar, schiet de reporter te binnen, wanneer is het echte leven dan? 

    “Het kopt dat ik het hele jaar door werk. Altijd is er wel iets te doen. Al erg vroeg moet men de marters er attent op maken snel nog een vrouwtje te vinden! Padden moet men de weg naar hun winterslaap in poelen voorbereiden. Dan moeten de eiken gemasseerd worden. Andere keren de preien iets toegefluisterd worden. U mag de verantwoordelijkheid ook niet onderschatten. Stel dat ik een langere periode vrij zou nemen en de herfst niet… Ik mag er niet aan denken.” 

    De stemming is terstond omgeslagen. Priscilla Mist, die men net nog in de braambessen zag kijken als door een sleutelgat, is plotseling helemaal versomberd. Even lijkt het zo als moest niet veel herfst en somberheid nog ontlokt worden maar was het allemaal reeds daar, in één enkel wezen. Snel wenkt de reporter het gesprek op andere aangelegenheden. 

    “Ms. Mist, bij al dit harde en vooral vele werk, neemt u dan nooit ontspanning?” 

    “Jawel hoor. In een meer tussen de herfstbomen zwemmen bijvoorbeeld. Eén van de vreugdevolste activiteiten die men in het leven kan ondernemen.” 

    “Toch lijkt mij uw job ook niet zonder gevaren. Hoe is uw verhouding tot beren bijvoorbeeld?” 

    “Beren?” 

    “Ja, begrijpen zij uw werk?” 

    “Dat denk ik wel! Ik heb in de vierendertig jaar dat ik dit doe nog nooit één negatieve uitlating of kritiek van een beer ontvangen. En zoals u weet: de dieren liegen niet.” 

    Men ziet intussen Priscilla Mist, in holle bomen kijken. Zieke bladeren hun hand vasthouden. Verzwakte teken opnieuw naar gunstige plaatsjes tillen. Uitgeputte bijen bij de bloemen zetten. Septemberse wespen geeft ze een zetje. Ze laat signalen en wegwijzers in vogelperspectief achter voor toekomstige ganzen in V-formatie. Een beukennootje houdt ze als een diamant in het licht. Betekenisvol kijkt ze met een verticale vinger op de lippen. Dan volgt een veelzeggende knipoog. 

    Men volgt Priscilla in het Septemberse Canada gedurende twee weken, wat geenszins een eenvoudige opgave is. In de niet alleen vreemde gedachtesprongen (maar tenslotte, probeert men te nuanceren, hoe denkt de herfst eigenlijk?), maar eveneens plotse richtingen die zij uitgaat verneemt men nauwelijks constanten, zij het dan de door haar eerder aangekondigde zuidwaartse richting. Sommige bomen herkent zij van vorige jaren – deze schudt zij de hand. Andere keren staat ze plots stil en kijkt even betekenisvol naar de hemel. Vervolgens slaat ze een kruis. en Ook begint men haar zelfs met Pessy aan te spreken en durft men het aan het gesprek naar een meer persoonlijk niveau te richten. 

    “Pessy, ik moet zeggen, van alle jobs heeft u het niet slecht getroffen. U werkt hier in een fantastische omgeving. Het ruikt hier heerlijk naar dennen en bos…” 

    “Graag gedaan” roept Ms. Mist vanuit de kruin van een den. “Ik ben er dan ook voor verantwoordelijk.” 

    Al verlopen de gesprekken niet altijd eenvoudig... Nog maar de vraag of men van gesprek überhaupt kan spreken. Ms. Mist zit met een vergrootglas in een kruin en antwoordt af en toe wat vanop boomhoogte, wanneer het haar uitkomt. Echter vanop de grond verstaat men haar niet altijd en dat is jammer. Om een uitvoeriger antwoord en nauwkeurigere aanblik van dat interessante werk te bekomen kruipt de reporter in een aanliggende, jonge esdoorn. Hoogstmerkwaardig: Prescilla woelt, schudt, wrijft, krabt en duwt in de kruinen, dan aait ze de kruin weer, als streelde ze een knaapje over zijn bol. Soms fluistert ze. Dan roept ze plots en schrikt het hele bos op. Absolute stilte. Na even aarzelen, met twee armen nauw gespannen rondom de stam terwijl het zweet van mijn voorhoofd parelt, peil ik opnieuw naar haar bezigheid. Volgt het gekende spel van vraag en antwoord, maar dan vanuit twee verschillende kruinen. Een interview vanuit de bomen. 

    “Anderzijds” gaat ze verder vanuit het topje van een den, “zie ik de dingen nooit in hun voltooiing. De kruinen verroden, ach het oranje van pompoenen, het kraken van de bladeren, de voltooiing in het web van kruisspinnen, gevallen kastanjes op de grond – ik zou ze ook graag eens plots en zomaar aantreffen. Ja, het uitstellen van de voltooiing en het blijvende verdergaan vallen me vaak moeilijk. Dan kom ik tot de ironische vaststelling: maak uitgerekend ik de herfst uiteindelijk wel mee? Maar dan probeer ik me te vermannen. Ik moet, ik verwerkelijk het alles, maar denkt u dat iemand…?” 

    “U heeft wel eens het gevoel dat anderen u niet begrijpen?” 

    “Jazeker. In het boek bijvoorbeeld wordt gezegd dat ik de herfst achtervolg, maar in wezen klopt dat niet.” 

    “Hoe bedoelt u?” 

    “Is het niet correcter te stellen dat ik de herfst voorbereidt, ze anticipeer als het ware? Ze neerleg? Om vervolgens te vertrekken. Ja, door bijvoorbeeld in de bomen te kruipen of signalen voor de dieren achter te laten. Van in hun pels tot in de kruinen, ergens moet het natuurlijk beginnen. Maar eveneens op de bodem, in pompoenen of preien – ik werk overal.” 

    “Werkelijk overal?” 

    Een voorbijganger, mocht die hier in de diepe Canadese bossen al komen, had het als een gesprek tussen twee bomen ervaren.

    “Jazeker. Het beetje zand dat u tussen het groen van de prei vindt, misschien begin ik daar wel mee.” 

    “Pessy, is er sinds het boek veel voor jou veranderd?” 

    “Heel weinig. De bomen en de groenten lezen niet, ik merk weinig verschil. Ook de dieren hebben het boek niet gelezen. Ik heb er dus niet veel last van.” 

    Ms. Mist had me op voorhand vermeld dat ze weinig tijd zou hebben of maken. Een intiem gesprek als dit, tussen de bomen, is zeldzaam. Eén ding gedurende deze twee weken is duidelijk: zij handelt naar een opgave. Men begrijpt haar niet altijd, maar ziet dat zij met iets groots bezig is. Ze heeft het vuur van het heilige moeten in de ogen, de mars van voorwaartse in de benen. Met gemak glijdt zij langs de stam van de den naar beneden, spurt tien meter verder, stampt, shot en brult vervolgens wat in het rond. Ik sla het allemaal gade vanuit de bomen – kan men de herfst wel begrijpen? Met journalistieke curiositeit en interesse cirkel ik vervolgens als een satelliet op voorzichtige afstand rond haar, al gebeurde zowel het afdalen uit de boom als de toenadering tot haar ditmaal iets omzichtiger. Eens zij uit haar rituele extase is weergekeerd, bevraag ik haar opnieuw. 

    “Pessy, waarmee bent u hier eigenlijk begonnen? Valt het ooit – te beëindigen?” 

    “Sinds dat ik de herfst ontlok, nu reeds 34 jaar, is de herfst nog nooit uitgebleven. Nog nooit! Dat is geen slecht resultaat, niet?” 

    Prescilla kijkt even op haar horloge. Vervolgens kijkt ze naar boven en legt een vinger op haar uurwerk. Een blad valt. 

    “Perfect synchroon.” “Aldus verder!” 

    Het gebeurde als een natuurlijk einde van onze wegen. Later, wat ik op dit moment nog niet weet, wanneer ik opnieuw in België ben en ik haar sporen ook in deze, bescheidenere herfst in Belgisch oktober zal aantreffen, begin ik langzaam met Pessy Mist’s perspectief te sympathiseren, waarin op de voorgrond zich misschien één reusachtig, vallend blad bevindt en op de achtergrond, ergens ver ver weg, misschien wel de minuscule tijd, niet groter dan een klein kevertje, die ieder moment kon wegvliegen. Het blad en de eeuwigheid. Misschien heeft Ms. Mist gelijk. Pessy gaat verder zuidwaarts. Oprecht en dankbaar, met het gevoel iets ervaren te hebben, vraag ik haar nog: 

    “Pessy kan u eigenlijk ergens blijven? Kan u het zich voorstellen? Heeft u niet het verdergaan net nodig, net zoals de herfst het verval?” 

    “Ik ben zoals datgene ik ontlok – eerst schoonheid, dra treurnis en verval. In het leven is vaak verdergaan de nobelste vorm van liefde.” 

    Onze wegen scheidden zich. Het horloge van vallende bladeren is voor het komende jaar opgewonden. Komt men haar op haar route tegen, zou men Ms. Mist als een pelgrim beschouwen, die de seizoenen afstapt. Toch leert men Pessy persoonlijk kennen is het eerder omgekeerd, tot zij uiteindelijk de indruk opwekt dat de bladeren op het ritme van haar voetstappen vallen. Aldus zonk Ms. Mist dieper het continent in, als een anker niet door de zwaartekracht maar door een gravitetisch Zuiden genodigd, in een durend voorgevoel van richting en realisatie, en realiseerde wat zich dra realiseerde – ook dit jaar een eerlijke, in alle kleine dingen ware herfst. 

     filejpeg