Zduma

     Graphomanie: men omringt zich langs alle kanten met eigenhandig geschreven krabbels die als spiegels elkaar spiegelen. Het Droste-effect en de volledigheid van iedere eenzaamheid daartussen. Reeds tien jaar worden bundels, manuscripten en monologen geschreven. In 2018 volgde een eerste roman. Toch het zijn gebeurtenissen die in het heden geen betekenis kunnen hebben. Aangezien haast niemand ooit iets van dit werk las, verplaatste het zich langzamerhand in de sfeer van het inexistente. Esse est percipi. Men kent het vraagstuk wel, wat als een boom in een bos omvalt... Niet alleen de vraag of betekenis nog bestaat wanneer niemand ze verneemt, maar diepliggender of bestaan nog iets betekent, gonst in het gedruis van zulke vallende, niet-bestaande bomen. Een slag in een plas water - zonder water. Het heden -dat wat buiten de spiegeling ad infinitum van vallende bomen valt- blijft hetzelfde. En toch is er zo veel veranderd, voor de bomen, die in hun niet-bestaan het bos doen daveren. Om dit domein van vallende bomen verder uit te diepen en het gehoor blijvend aan het inexistente te leggen, werd in september 2019 Zduma, het fictief tijdschrift voor literatuur gegrond. Een magazine waarvoor maandelijks bijdragen verschijnen. Interviews met eigen personages, verslagen van verzonnen musea of essays over andere onwerkelijkheid, die seismografisch gehoor aan het onbestaande leggen.


Uit: Zduma. Fictief tijdschrift voor literatuur. November 2019. 

    Postmoderne groenten.

    Cultuurartefacten zijn zowel subject als object van menselijke interesse. Ze representeren identiteit. Terwijl ze voor iets staan en weergeven –een waarde, een bepaalde omgang of gebruik–, lijken ze eveneens zelfstandig te bestaan en te ageren in het domein van betekenis. Grote mythologieën sijpelen binnen in de cultuur van het alledaagse en installeren er gebruik. Anderzijds kunnen gewoontes en gebruik danig gewicht in het alledaagse leggen, dat hun belang tot een mythologische gemeenplaats wordt. Vandaag onderzoeken wij dergelijke gemeenplaats en bezoeken een bijzonder museum Hochsauerland, Duitsland. 

    “Mensen zeggen dat ik van mijn huis een museum heb gemaakt, maar dat is niet waar” drukt Markus Möhrherr ons bij ontvangst stevig de hand. “Mij was het van meet af aan duidelijk dat ik een museum ging bouwen. En wat voor één!”
    We volgen Möhrherr naar zijn atelier waar hij deze ochtend nog druk in de weer is, duidelijk in roes van kunstzinnige schepping. Möhrherr ontvangt ons in zijn werkkledij. Uit zijn schildersmantel steekt een prei.
    “Als het op verse soep aankomt” steekt Markus Möhrherr van wal, “houd ik het graag internationaal. Ik kijk graag over de grenzen van mijn eigen traditie. Tegenwoordig ben ik vooral geïnteresseerd in Zuid-Oosterse varianten. Deze heel andere vorm van persoonsexpressie, deze meer figuratieve, duidelijk omlijnde, niet-Westerse vorm van verse soep – dit in onze musea kunnen halen acht ik als mijn grote verdienste.”
    Möhrherr voert ons intussen door verschillende ruimtes van zijn museum. In iedere ruimte staan installaties, kommetjes, dampende kookpotten of half aangegeten soepborden. Een draaikolk van geuren –ajuinsoep, courgettesoep, minestrone, champignonzooi– vermengt zich in de ruimtes en in het bewustzijn van de bezoeker. 
    “Ik bekijk verse soep als een embleem” zegt Möhrherr met de oogleden gesloten.  
    “Soep als een embleem?”
    “Van het alledaagse.”  
    “Toegegeven” merkt na een korte reflectie onze kritische, journalistieke blik op, “een museum over verse soep, is dat geen contradictie? Een tegenspraak misschien?”
    “Hoe bedoelt u?”
    “Een museum, uitstelraam of verzamelplaats –welk begrijp u ook verkiest– van het dagelijkse leven, enfin verse soep, is dat in wezen niet onmogelijk? En indien toch mogelijk, is het dan geen overbodige weergave? Een kopie?”
    “Bravo! Nu gaat u niet alleen naar de essentie van verse soep, maar ook het kunstwerk –ieder kunstwerk– überhaupt! En dat niet toevallig in dit museum… De tentoonstelling mist zijn effect niet. Want het is exact deze dubbelzinnigheid die men bij een kop verse soep misschien niet proeft. Toch zodra men eens het museum van de verse soep bezocht, verzeker ik u dat er geen bezoeker is voor wie verse soep ooit nog hetzelfde zal zijn. En er is meer!”
    “Meer?”
     “Dagelijks nieuwe kunst! Dagelijks nieuwe creaties…” mompelt Möhrherr. “Het museum van de verse soep is werkelijk een ongelooflijke plaats. Uniek in de wereld.”
    “Maar is het geen kopie van het echte leven?”
    “Indien de bezoeker dit vaststelt, is die reeds halverwege in de paradox en het raadsel van verse soep doorgedrongen. Deze tegenstelling is namelijk niet eigen aan het museum van de verse soep, maar aan verse soep zelf!”
    De soepen dampen hier als een haard. Komkommersoep, bakso-soep, soep met gekookte vis, erwtensoep, worstensoep, noodle- of sojascheutensoep. Een welriekend kunstwerk (en vooral museum!), dat kende wij nog niet. En met zo nu en dan een grommende maag trekken we verder door de exhibitie.
    Ajuin, prei, selder – zoals de hoofdkleuren voor de schilderkunst zijn deze de basisbestandelen van Möhrherr’s kunst. Möhrherr spreekt van een levenswerk. Zelf heeft hij al meer dan honderdduizend keer verse soep gegeten, verklaart hij trots. Honderdduizend keer? Horen we deze eigenzinnige liefhebber van subtiele kunst niet iets te veel pronken?
    “Natuurlijk geen hele porties” nuanceert Möhrherr. “Eén lepel, even proeven volstaat. Daarbij gaat het steeds om het unieke van het scheppen en de creatie. Als kunstenaar ben ik vooral in de eenmaligheid en onherhaalbaarheid van het moment geïnteresseerd. Daarom duren mijn tentoonstellingen ook maar één dag. Dàt is het leven, de duur, de tijd. Het heden.”
    Het weerklinkt als een amen, het heden. Daarmee is het toverwoord gezegd. Inderdaad, de tentoonstelling mist zijn effect niet, en als geïnteresseerd toeschouwer geraakt men na een uurtje rondlopen in deze geurende ruimtes tussen borrelende kookpotten en geurende soepborden best wel geïnteresseerd in dat exemplarische heden!
    “Wat u daarnet zei”, knoopt Möhrherr opnieuw bij het gesprek aan terwijl hij in een grote kookpot met oranje soep roert, "het museum van de verse soep voert ons mee naar exact die spanningsboog binnenin de hedendaagse kunst. Het moment, exemplarisch weergegeven – ja, weergave, aldus gevangengehouden, maar onmogelijk te bezitten, onze omgang met het leven zelf…”
    Het is duidelijk: het eigen worden van verse soep is niet eenvoudig te ontwaren. Zeker niet wanneer Möhrherr, adept en connaisseur van deze alchemie der groeten, zijn zinnen niet afmaakt. Deze eigenzinnige kunstenaar spreekt zowaar over het Zijn. Maar let op, niet het zijn van een kom verse soep, maar tout court.
    “Plato en de zijnen!” vervolgt hij. “Hun filosofie zou niets zijn zonder de omnipresentie van verse soep in de menselijke geschiedenis. Parmenides! Niets anders dan verse soep. Het is onmiskenbaar de ontbrekende schakel in de Griekse wijsbegeerte. Geen één classicus die daar ooit aan heeft gedacht. Want raadt eens wat het Water van Thales van Milete en het Vuur van Heraclitus verbindt? Jawel, soep!”
    Möhrherr voert ons naar het pronkstuk van de collectie , de David van Michelangelo van het versesoepmuseum zeg maar, een reusachtige, industriele soepmachine die volledig autonoom eigen groenten snijdt, een boullion trekt en het geheel op smaak brengt. Intussen spreekt Möhrherr over de gewelddadigheid van prei, maar dat hebben we niet helemaal begrepen.
    “Ik slaap tussen mijn soep” bekent Möhrherr. “Een eigen kamer, wie heeft dat nodig? Soms wil ik getuige zijn van het moment wanneer de soep zuur wordt. Soep als cultuurproduct is uitermate postmodernistisch. En daarbij is het millennia oud! Ja, deze spanning, die paradox, komt tot uiting in onze tentoonstellingen.”
    Möhrherr spreekt vaak over ons, terwijl wij toch maar één man bezig zien. “Alles is míjn werk verzekert hij. Met ‘ons’ doel ik op mijzelf en de groeten. Ik en de kunst. Ik en de soep. Ja die ervaring van iets groters, uiteindelijk het wezen van verse soep, zulke ervaringen kunnen alleen maar in een wij uitlopen.”
    “Tot de universalia van de soep behoort haar uniciteit” verklaart Möhrherr verder. “Soep is een nominalistisch iets. Verse soep bestaat alleen maar in haar verwerkelijking. Toch zelden iemand die zijn soep slurpt die vervolgens in cultuurhistorische, laat staan filosofische contemplatie of metafysische twijfel vervalt. Veeleer is het zo dat de gewoonte, wordt ze herhaalt, zich nog meer onttrekt aan de sfeer van het begrijpelijke en het verstaan.”
    “Herr Möhrherr, welk verstaan?”
    “Het verstaan van verse soep natuurlijk. Het is net in mijn tentoonstelling waarin ik de begrippelijkheid van verse soep centraal wil stellen.
    “Excuseer, de begrippelijkheid van verse soep?”
    “Jazeker, en toch is zij concreet daar! Soepie Soepie!”
    Voor het eerst legt Möhrherr de kunstzinnige ernst van zijn metier naast zich neer en tovert een kinderlijke expressie op zijn gezicht. Hij blikt zijn soep zo vertederd toe als keek hij naar een knuffelbeer.
    “Soep is meer dan de platte metafoor van de nabijheid van kunst in ieders leven. Ik vind het een belediging wanneer de bezoekers dit van mijn museum denken. Het is net de verborgenheid en het zichzelf onttrekkende karakter van de soep die centraal staan. En toch is verse soep concreet daar!”
    Het valt ons moeilijk in soep iets anders als soep te zien. Laat staan in soep iets verborgen te vooronderstellen. Möhrherr voert ons daarom naar een installatie in zijn museum, waar verse soep uit glazen bokalen dampt. Möhrherr houdt ze vervolgens in het licht.
    “Preisoep. Voor de bezoekers, om hen een zetje te geven. Los van het feit dat ik het uiterst interessant vindt, dat wij onze soep telkens van bovenaf zien, vanuit soepperspectief zeg maar, of nu in potten of borden, maakt niet uit, ach ik droom van zeeën van soep! Wist u dat ik enkele jaren terug een zwembad van verse soep ontwierp en zo mijn droom kon verwerkelijken, eens in verse soep te zwemmen. Dat was een kunstwerk...”
    “Herr Möhrherr, waar voert dit naartoe?”
    “Juist, los van wat dat over ons zegt –over ons!–, niet over de soep, dat wij onze soep steeds van bovenaf zien, bied ik de toeschouwers graag een ander perspectief op soep. Verse soep langs beneden kunnen bekijken, langs op zij, vanuit een schuine hoek. Ja dat is wat. Dat opent de ogen en het begrip.”
    “Toch zie ik nog steeds soep en niets verborgen.”
    “Uiteraard! Het is om de bezoekers een duwtje te geven, meer niet. Manieren van kijken en begrijpen moeten geleerd worden, net zoals een nieuwe taal. De taal van de soep. Men moet de soep toelaten. Men moet de soep toelaten... Uiteraard blijft het wezen van de verse soep verborgen. Zelfs van onderaan bekeken! Dat is het net! Toch hier aangekomen suggereert zich aan de bezoeker een nieuwe dimensie. Misschien onttrekt zich de soep en haar wezen wel van ons, sluit ze zich in zichzelf op om niet gezien te worden. En toch zien wij de soep! Wat een geheim, wat een wezen...”

    Het hermetische karakter van verse soep. Zo hadden wij het nog niet bekeken! Gewapend met dit nieuwe inzicht voerde Möhrherr, de soepkluizenaar uit Duitsland, ons nog verder door de afdeling met kunstwerken van Midden-Oostelijke, Russische of Latijns-Amerikaanse oorsprong.
   
    Bij onze terugkomst in België daagde ons nog steeds het mysterieuze wezen van de verse soep en konden wij niet aan het appel van de soep weerstaan, waardoor wij in ons enthousiasme volmondig een Brusselse brasserie binnenstapten om sito presto een kop verse soep te bestellen! Met een knipoog vertelden wij de serveuse nog over de paradox van postmoderne pompoenen, het Vuur van Heraclitus, de begrippelijkheid van de soep en dat ondanks het geserveerde soepperspectief wij wel andere dingen zagen! En terwijl we de vluchtige essentie uit het opgediend soepbord zagen dampen als verscheen aan ons het amen, antwoordde aan de andere kant van dit dampende wezen een betekenisvol glimlachen en nog betekenisvollere stilte. 



  Uit: Zduma. Fictief tijdschrift voor literatuur. Oktober 2019

  De herfst achtervolgt. Een getuigenis. 

    Voor onze eerste editie stuurden wij onze reporter helemaal naar het hoge Noorden in Canada, om er één van zijn eigen personages in volle actie te ontmoeten! 

    In het dagelijkse leven is Priscilla Mist onherkenbaar. Mocht men het niet weten, men zou het niet zien. Maar wanneer ziet men haar eigenlijk? En wat valt er niet te herkennen? Wat viel er juist niet te zien? Wanneer men het dan wel kon weten? ‘Excuseer, waar gaat dit juist over?’ vertrekt de lezer het voorhoofd. Toegegeven, na haar verschijning in het boek De schoenen van de Sultan bleven er een aantal zaken onduidelijk. Wij zagen in het aanbreken van de herfst geen betere gelegenheid om het personage zelf aan het woord te laten en dus zochten we haar op in een Canadees natuurpark, volop bezig aan het werk. 

    “Ms. Mist, kan ik stellen dat herfst voor u niet zomaar een seizoen is?” 

    “Dat klopt. Allereerst duurt herfst bij mij vier seizoenen lang. Het is strikt genomen dus geen seizoen maar een jaar. Dat is op zich dan ook weer niet helemaal juist. Maar daarover misschien later meer. Enfin, reeds in de zomer trek ik naar het uiterste Noorden om daar alles in gereedheid te brengen. Dan is de herfst voor mij reeds begonnen. Tot ik uiteindelijk zo ver in het Zuiden ben doorgetrokken, dat verder zuidwaarts geen verdere betekenis heeft.” 

    “Hoogst interessant, iemand zoals u! Betekenis – voor zij die het boek niet gelezen hebben, kan u de lezer nog even zeggen wat u doet?” 

    “Ik bezoek ieder jaar het hoge Noorden om er als eerste over de herfst te getuigen. Ik ben er namelijk voor verantwoordelijk. Het is geenszins eenvoudig de herfst te ontlokken, toch ieder jaar opnieuw slaag ik er in. Dan ga ik verder naar het Zuiden. Mijn opdracht zit er op wanneer ik de natuurlijke grens met de cactusvijgen en mandarijntjes heb bereikt. Vervolgens reis ik vliegensvlug naar de Zuidpool om daar hetzelfde te doen, zij het in noordwaartse richting. Kortom ik schenk de wereld dat wat onze taal niet heeft.”

     “En dat is?” 

    “Herfsten. Twee per jaar.” 

    De kinderlijke opwinding waarin Ms. Mist verkeerd valt niet te miskennen. In een vingerknip is haar aandacht verdwenen. Vervolgens woelt zij verder in de bomen, in takken en struiken, tussen wortels of in de grond. Even denkt men – hier is een menselijke eekhoorn bezig. Herfst is voor haar een pretpark. 

    Na haar en haar werk twee dagen in stilte begeleid te hebben wrijft Ms. Mist zich vervolgens in de handen, bij het zien van de eerste, vergeelde boom. “Mijn werk zit er hier op” verteld ze gedecideerd en vertrekt, zoals een kunstenaar met de rug naar het eigen kunstwerk gekeerd, Priscella Mist met de rug naar haar schepping, enkele honderden kilometers zuidwaarts. 

    Priscilla, Pessy voor haar weinige vrienden, is naar eigen zeggen helemaal anders tijdens haar werk dan in het echte leven. Ja, hier valt een buitengewone vreugde en tevredenheid op, maar eveneens uitzonderlijke concentratie en bezieling. Maar, schiet de reporter te binnen, wanneer is het echte leven dan? 

    “Het kopt dat ik het hele jaar door werk. Altijd is er wel iets te doen. Al erg vroeg moet men de marters er attent op maken snel nog een vrouwtje te vinden! Padden moet men de weg naar hun winterslaap in poelen voorbereiden. Dan moeten de eiken gemasseerd worden. Andere keren de preien iets toegefluisterd worden. U mag de verantwoordelijkheid ook niet onderschatten. Stel dat ik een langere periode vrij zou nemen en de herfst niet… Ik mag er niet aan denken.” 

    De stemming is terstond omgeslagen. Priscilla Mist, die men net nog in de braambessen zag kijken als door een sleutelgat, is plotseling helemaal versomberd. Even lijkt het zo als moest niet veel herfst en somberheid nog ontlokt worden maar was het allemaal reeds daar, in één enkel wezen. Snel wenkt de reporter het gesprek op andere aangelegenheden. 

    “Ms. Mist, bij al dit harde en vooral vele werk, neemt u dan nooit ontspanning?” 

    “Jawel hoor. In een meer tussen de herfstbomen zwemmen bijvoorbeeld. Eén van de vreugdevolste activiteiten die men in het leven kan ondernemen.” 

    “Toch lijkt mij uw job ook niet zonder gevaren. Hoe is uw verhouding tot beren bijvoorbeeld?” 

    “Beren?” 

    “Ja, begrijpen zij uw werk?” 

    “Dat denk ik wel! Ik heb in de vierendertig jaar dat ik dit doe nog nooit één negatieve uitlating of kritiek van een beer ontvangen. En zoals u weet: de dieren liegen niet.” 

    Men ziet intussen Priscilla Mist, in holle bomen kijken. Zieke bladeren hun hand vasthouden. Verzwakte teken opnieuw naar gunstige plaatsjes tillen. Uitgeputte bijen bij de bloemen zetten. Septemberse wespen geeft ze een zetje. Ze laat signalen en wegwijzers in vogelperspectief achter voor toekomstige ganzen in V-formatie. Een beukennootje houdt ze als een diamant in het licht. Betekenisvol kijkt ze met een verticale vinger op de lippen. Dan volgt een veelzeggende knipoog. 

    Men volgt Priscilla in het Septemberse Canada gedurende twee weken, wat geenszins een eenvoudige opgave is. In de niet alleen vreemde gedachtesprongen (maar tenslotte, probeert men te nuanceren, hoe denkt de herfst eigenlijk?), maar eveneens plotse richtingen die zij uitgaat verneemt men nauwelijks constanten, zij het dan de door haar eerder aangekondigde zuidwaartse richting. Sommige bomen herkent zij van vorige jaren – deze schudt zij de hand. Andere keren staat ze plots stil en kijkt even betekenisvol naar de hemel. Vervolgens slaat ze een kruis. en Ook begint men haar zelfs met Pessy aan te spreken en durft men het aan het gesprek naar een meer persoonlijk niveau te richten. 

    “Pessy, ik moet zeggen, van alle jobs heeft u het niet slecht getroffen. U werkt hier in een fantastische omgeving. Het ruikt hier heerlijk naar dennen en bos…” 

    “Graag gedaan” roept Ms. Mist vanuit de kruin van een den. “Ik ben er dan ook voor verantwoordelijk.” 

    Al verlopen de gesprekken niet altijd eenvoudig... Nog maar de vraag of men van gesprek überhaupt kan spreken. Ms. Mist zit met een vergrootglas in een kruin en antwoordt af en toe wat vanop boomhoogte, wanneer het haar uitkomt. Echter vanop de grond verstaat men haar niet altijd en dat is jammer. Om een uitvoeriger antwoord en nauwkeurigere aanblik van dat interessante werk te bekomen kruipt de reporter in een aanliggende, jonge esdoorn. Hoogstmerkwaardig: Prescilla woelt, schudt, wrijft, krabt en duwt in de kruinen, dan aait ze de kruin weer, als streelde ze een knaapje over zijn bol. Soms fluistert ze. Dan roept ze plots en schrikt het hele bos op. Absolute stilte. Na even aarzelen, met twee armen nauw gespannen rondom de stam terwijl het zweet van mijn voorhoofd parelt, peil ik opnieuw naar haar bezigheid. Volgt het gekende spel van vraag en antwoord, maar dan vanuit twee verschillende kruinen. Een interview vanuit de bomen. 

    “Anderzijds” gaat ze verder vanuit het topje van een den, “zie ik de dingen nooit in hun voltooiing. De kruinen verroden, ach het oranje van pompoenen, het kraken van de bladeren, de voltooiing in het web van kruisspinnen, gevallen kastanjes op de grond – ik zou ze ook graag eens plots en zomaar aantreffen. Ja, het uitstellen van de voltooiing en het blijvende verdergaan vallen me vaak moeilijk. Dan kom ik tot de ironische vaststelling: maak uitgerekend ik de herfst uiteindelijk wel mee? Maar dan probeer ik me te vermannen. Ik moet, ik verwerkelijk het alles, maar denkt u dat iemand…?” 

    “U heeft wel eens het gevoel dat anderen u niet begrijpen?” 

    “Jazeker. In het boek bijvoorbeeld wordt gezegd dat ik de herfst achtervolg, maar in wezen klopt dat niet.” 

    “Hoe bedoelt u?” 

    “Is het niet correcter te stellen dat ik de herfst voorbereidt, ze anticipeer als het ware? Ze neerleg? Om vervolgens te vertrekken. Ja, door bijvoorbeeld in de bomen te kruipen of signalen voor de dieren achter te laten. Van in hun pels tot in de kruinen, ergens moet het natuurlijk beginnen. Maar eveneens op de bodem, in pompoenen of preien – ik werk overal.” 

    “Werkelijk overal?” 

    Een voorbijganger, mocht die hier in de diepe Canadese bossen al komen, had het als een gesprek tussen twee bomen ervaren.

    “Jazeker. Het beetje zand dat u tussen het groen van de prei vindt, misschien begin ik daar wel mee.” 

    “Pessy, is er sinds het boek veel voor jou veranderd?” 

    “Heel weinig. De bomen en de groenten lezen niet, ik merk weinig verschil. Ook de dieren hebben het boek niet gelezen. Ik heb er dus niet veel last van.” 

    Ms. Mist had me op voorhand vermeld dat ze weinig tijd zou hebben of maken. Een intiem gesprek als dit, tussen de bomen, is zeldzaam. Eén ding gedurende deze twee weken is duidelijk: zij handelt naar een opgave. Men begrijpt haar niet altijd, maar ziet dat zij met iets groots bezig is. Ze heeft het vuur van het heilige moeten in de ogen, de mars van voorwaartse in de benen. Met gemak glijdt zij langs de stam van de den naar beneden, spurt tien meter verder, stampt, shot en brult vervolgens wat in het rond. Ik sla het allemaal gade vanuit de bomen – kan men de herfst wel begrijpen? Met journalistieke curiositeit en interesse cirkel ik vervolgens als een satelliet op voorzichtige afstand rond haar, al gebeurde zowel het afdalen uit de boom als de toenadering tot haar ditmaal iets omzichtiger. Eens zij uit haar rituele extase is weergekeerd, bevraag ik haar opnieuw. 

    “Pessy, waarmee bent u hier eigenlijk begonnen? Valt het ooit – te beëindigen?” 

    “Sinds dat ik de herfst ontlok, nu reeds 34 jaar, is de herfst nog nooit uitgebleven. Nog nooit! Dat is geen slecht resultaat, niet?” 

    Prescilla kijkt even op haar horloge. Vervolgens kijkt ze naar boven en legt een vinger op haar uurwerk. Een blad valt. 

    “Perfect synchroon.” “Aldus verder!” 

    Het gebeurde als een natuurlijk einde van onze wegen. Later, wat ik op dit moment nog niet weet, wanneer ik opnieuw in België ben en ik haar sporen ook in deze, bescheidenere herfst in Belgisch oktober zal aantreffen, begin ik langzaam met Pessy Mist’s perspectief te sympathiseren, waarin op de voorgrond zich misschien één reusachtig, vallend blad bevindt en op de achtergrond, ergens ver ver weg, misschien wel de minuscule tijd, niet groter dan een klein kevertje, die ieder moment kon wegvliegen. Het blad en de eeuwigheid. Misschien heeft Ms. Mist gelijk. Pessy gaat verder zuidwaarts. Oprecht en dankbaar, met het gevoel iets ervaren te hebben, vraag ik haar nog: 

    “Pessy kan u eigenlijk ergens blijven? Kan u het zich voorstellen? Heeft u niet het verdergaan net nodig, net zoals de herfst het verval?” 

    “Ik ben zoals datgene ik ontlok – eerst schoonheid, dra treurnis en verval. In het leven is vaak verdergaan de nobelste vorm van liefde.” 

    Onze wegen scheidden zich. Het horloge van vallende bladeren is voor het komende jaar opgewonden. Komt men haar op haar route tegen, zou men Ms. Mist als een pelgrim beschouwen, die de seizoenen afstapt. Toch leert men Pessy persoonlijk kennen is het eerder omgekeerd, tot zij uiteindelijk de indruk opwekt dat de bladeren op het ritme van haar voetstappen vallen. Aldus zonk Ms. Mist dieper het continent in, als een anker niet door de zwaartekracht maar door een gravitetisch Zuiden genodigd, in een durend voorgevoel van richting en realisatie, en realiseerde wat zich dra realiseerde – ook dit jaar een eerlijke, in alle kleine dingen ware herfst. 

     filejpeg