Overwoordig

   Er is iemand die brieven naar oorden schrijft. Brieven naar de achtertuinen waar hij als kind speelde. Brieven naar de groenblauwgroene Aare in Zwitserland waarin hij vorige zomer nog zwom. Brieven naar de zandkastelen van vroeger. Of brieven naar die oorden, die hij slechts uit moeders vertellingen herinnert.

   Mens noch gezicht die hij aanschrijft, laat staan een naam die anders alle gedachten en intenties gravitetisch tot zich nodigt. Neen, het zijn brieven gericht naar plaatsen en oorden. Misschien ook maar slechts een brief naar die ene notenboom in een Duits binnenhof, of wanneer het niet anders kan een brief geadresseerd in coördinaten.

   Zijn brieven naar plaatsen die niet bestaan. Zijn brieven naar plaatsen die niet meer bestaan. 

   Hoeveel van zijn brieven nooit aankomen? Hoeveel van zijn brieven niet gelezen worden? Hoeveel van zijn brieven – niet begrepen worden? Zijn brieven –als ze al aankomen tenminste, want meestal zijn zijn bodes eerder verward, veelal vertrouwd met het feit dat een brief allereerst, of beter gezegd uiteindelijk, aan de teleologie van een naam is opgedragen– zijn nog het meeste zoals een duif ze overbrengt. Ze gaan recht naar plaatsen.

   Zijn brieven naar de ogen van zijn buurvrouw. Zijn brieven naar een ooievaarsnest in Tarifa. Zijn brieven naar de buikholte van blauwe walvissen. Zijn brieven naar Islamitische minaretten - daar waar een stem woont. Zijn brieven naar die ene hangmatplaats in de olijfboomgaard in ochtendlijk paars licht. Zijn brieven naar het verloren doosje met kinderlijke melktanden. Zijn brieven naar het kuiltje in de kaak van zijn nichtje. Zijn brieven naar de schuilplaatsen van vroeger, wanneer men hem bij Katteke-Wuif nooit terugvond. Zijn brieven naar die plaatsen, waaraan hij de herinnering probeert te bewaren. 

   Een brief naar een rode tweepersoonsbank: een brief naar zijn eerste kus. Zijn brief naar een vriend zijn holle kies: goedbedoeld vulsel. Op reis sommige brieven naar zijn achtertuin: vergeefs voedsel voor de kippen. Of zijn brieven naar de stad Aalst – zijn inktvlekkerige, onbruikbare brieven, bestemd voor confetti.

   Zijn psychiatrische brieven: daar waar de zon ondergaat. Zijn onmogelijke brieven: brieven naar Saturnus. Brieven naar wijngaarden: dronken dankbetuigingen! Of die plaatsen die hij zich van in zijn kindertijd herinnert – geschreven in aparte taal.

   Hij herinnert niet, maar schrijft het aan. Het is zijn manier van bewustzijn. Ook de toekomst verschijnt voor hem anders, wanneer hij plaatsen aanschrijft waar hij nog nooit geweest is, aldus hemzelf of een ontmoeting aanmeldt, en hij zo zijn aanwezigheid reeds manifesteert. Het is zoals men in een gesprek een naam van een onbekende vermeld. Alleen is er geen gesprek. En al helemaal geen naam. Slechts de omstandigheid – die hij in zijn brieven aan het leven aanreikt. 


     Uit: Tussen Mars en de Maan (2016)