....

    Zij zagen elkaar nog nooit dansen. Als verschenen ze aan elkaar zonder jeugd. Zonder verspilling, zonder overgave. Zij dronken nooit samen uit één fles. Sloegen de glazen niet kapot. Of zij überhaupt nog dansten? Konden zij elkaar uitgelaten voorstellen? In een handelen niet gemedieerd door bubbels, een ontmoeten niet gescheiden door anderhalve meters, schouderklopjes zonder bijgedachten hoe lang een virus op de klink overleeft en begroetingen zonder handgels. Om in de roes te kunnen dansen, vergeten, te verspillen en te bestaan – om in een groter ervaren dan jezelf te zijn, in de dans, in het feest, om daar aan elkaar amorf te verschijnen, eindeloos in het nu verschijnen, om daar elkaar te verspillen, zonder bezitten, zonder verlies, om daar negroni’s te delen, een hand te nemen en elkaar ervaren, te lachen en in elkaars ogen te kijken – zij zagen elkaar nog nooit dansen…