Fragmenten uit mijzelf.

    Wie schrijft beleeft niets. Wie schrijft staat nooit in de wereld, maar in de eigen werkelijkheid aan verbeelding. Wie schrijft voelt natuurlijk – niemand staat ooit in de wereld, maar steeds in die eigen werkelijkheid aan verbeelde realiteit. Wie schrijft weet: aan de realiteit van de realiteit wordt doorgaans nooit gedacht… Wie schrijft krijgt exact deze, meest fundamentele verhouding tot de dingen aan de meeste mensen niet uitgelegd.

    Wie schrijft beleeft niets – behalve in zijn of haar dagboeken. Wie schrijft kan het niet uitleggen. Wie schrijft wordt aangestuurd door sterke overtuigingen die verder niet te vatten of bewoorden zijn. Wie schrijft beseft uitgerekend deze paradoxale ontoegankelijkheid van het woord maar al te goed. Op exact deze kanteling, in het onderste punt van deze trechter bevindt zich al zijn of haar werk.

    Wie schrijft heeft iets dierlijks. Zoals een dier in het zintuig zit, zit de pen in de schrijver of schrijfster. De schrijver, schrijfster, lekt zijn of haar vacht proper. Wie schrijft voelt het naamloze iets in ieder ontmoeten, kleven aan iedere schoonheid, aanwezig in ieder gesprek.

    Wie schrijft werkt enkel aan de realiteit van zijn laatste volzin.

//

    Wie schrijft beleeft meer. Wie schrijft heeft een onzichtbare realiteit aan volzinnen achter zich gelaten, die hij of zij als een ladder opklom om ze dan los te laten.

    Wie schrijft kijkt niet naar wat er zich onder de voeten bevindt. Wie schrijft leeft in uit- en inzichten. Wie schrijft beweert niet, maar overweegt – zichzelf, de wereld en de relatie tot die wereld. Wie schrijft beleeft meer van de realiteit, dan louter de realiteit. Wie schrijft verwerkelijkt de paradox dat realiteit steeds het vlechtwerk is van realiteit en verbeelding. Wie schijft leeft in het surplus aan realiteit dat gecreëerd wordt door onze menselijke, talige activiteit. Het bestaat nergens. Het is geen hoogmoed of hybris, maar symbolische relatie.

    Wie schrijft staat in de wereld, omdat die wereld continu in het eigen werk verschijnt en herschapen wordt. Wie schrijft wordt continu aangesproken, door de dingen die zichzelf niet kunnen uitleggen, door het woord en de betekenis dat bevrijd wil worden uit zichzelf. Wie schrijft beleeft meer en trekt als een kometenstaart de laatste volzin over het papier.

    Het verschijnen én verdwijnen van de komeet is één gelijktijdig gebeuren. Net zoals iedere gegeven inhoud, net zoals iedere realiteit, iedere laatste volzin.  

    Ivan Pasha roteerde in het paleis onder zeven koepels, verwerkelijkte dagen in zeven kleuren, sliep onder de zwaartekracht van zeven namen, oog in oog met het licht van dagelijkse planeten, indommelend aan die iedere dag iets anders warm aanvoelende moederhand. Het was een worden in zeven getijden, een saturatie in zeven kamers, een opluchting in zeven omhelzingen. Hier tikte tijd in zeven nuancen. Hier klopte in zeven verschillende hartslagen het worden, fluisterden in zeven verschillende vrouwen aan adem de woorden. Hier keek Ivan Pasha in de ogen en fluisterde het worden in zevenvoud terug. 

        
Uit: Gefluisterd worden. 

    Momenten van persoonlijke waarheid realiseren zich steeds vormelijk, later pas inhoudelijk. Daarom worden ze ook niet meteen opgepikt, laat staan door anderen verstaan in de waarheid waarmee het, waarmee jij doorbreekt – maar het moment wanneer jouw leven wijzigt, wanneer je je moeder eindelijk eens je gedacht zegt of je lichaam (pure vorm) staakt, zal het nooit een inhoudelijke ondertitel hebben. Die moet je er zelf aan geven. Het zal zich als vorm manifesteren.

    Onze ondertitels lopen meestal niet synchroon. Levenskunst als kunst van het overtuigen, existentieel te overtuigen, zowel jezelf als anderen, is inhoud in vorm te vernemen. In zowel de vorm van jezelf als die van anderen het te horen, het te voelen, het zien. Wie inhoud verneemt uit niet-inhoudelijke scenario's, op de schoolbanken zit en de dolfijn speels rond de propeller van het schip ziet duiken, in het papier van je boek de gevelde bomen voelt, machtige schaduwen over de varens in het beukenbos, vogelnesten in avondlijke kruinen, die leest maar kijkt plots over boomtoppen. Wie leeft en droomt in ruimere realiteit, wie geleid wordt door sterke overtuigingen en beelden die hij of zij niet kan verklaren, die voelt heel juist en nauwkeurig de nuance waarin iedere vorm zich zet en herzet. Hoe leven zich tilt en hertilt. 

    Wie ooit onder druk is gezet of zich bekritiseerd heeft gevoeld vanwege het onvermogen om iets in puur logische termen uit te leggen, als in uitsluitend ondertitels zonder film, weet dat deze verwachting niet in overeenstemming is met je fundamentele manier van omgaan met de amorfe wereld, en hoe dromen en verlangens in de vitaliteit van hun enigmatisch verschijnen stromen.

    Je schuift een loper over het schaakbord en merkt een fijne lijn in het ebbenhout. De nalatenschap van een houtworm tijdens een bijzondere droogte?

    Realiteit is een keuze de houtwormen in de lijnen van onze persoonlijke waarheid te zien, realiteiten aan te zuigen waarin vormen zich manifesteren. Inhoud is interpreteren. Het kruimelspoor volgen. Inhoud gaat stroomopwaarts. Dat is haar kracht. Dat is haar limiet. Eens geraken haar krachten uitgeput, peddelen verzwakte armen tot ze ophouden en jawel, breekt de vorm door. Enkel de vorm kent het geheim van de bron. Maar de vorm is de bron niet – de vorm stroomt.

    Een verleden waarin we onszelf konden aankijken. Een verleden waarin je jezelf kan herontdekken. Een verleden waarin waarheid eerst nog gebeuren moet. Een verleden waarin tijd niet ‘voorbij’ betekent, maar mystieke aanwezigheid. Een verleden waarin jezelf eerst nog moet ontstaan, waar je uit moet kruipen. Een verleden waarin het nu weerklinkt: een verheden.

    Een verleden dat niet voorbij is, niet verleden, maar eerder verleiden - dat iets bestaat en meebepaalt, over de grenzen doet kijken, het eigen hier prikkelt, een magnetiserende macht die het eigen beginsel ontneemt, en zoals erotiek, de enige erotiek, ook niet meteen alles uittrekt en aan de daad begint, maar iets aanlaat, met de laagjes speelt. Zo is ook het spel tussen onze identiteit en het verleden erotisch. Nooit de naakte confrontatie maar het spel met de naaktheid; niet het zichtbare zelf maar het spel met het zichtbare zelf – en zo sluipt uit die streling iets onzichtbaars. Dan voelt de mens zich vrij, uniek, zelfbepalend. Meer dan hij was.

    Een verleden dat naar jou terugkijkt, met het hier en nu resoneert. Een verleden dat sticht.

    Daarmee is het gezegd. Men moet het laten stichten en laten gebeuren. Maar zo bekijken we het verleden de facto niet. Doorgaans als iets af, voorbij, iets dat gebeurd en uitwegloos bepaald is. Maar het verleden bepaalt. De dobbelsteen rolt, is nooit al gevallen. Het verleden gebeurt en de zijden tuimelen. Nog steeds.

    Onze taal misleidt ons. Onze taal dwingt ons te spreken over het verleden in voorbije vormen en structuren. Ik herinner aan mijn aantekening over Esrotira, de taal van het herinneren. Over onverschillige kinderen op de schoolbanken die men met alle moeite der wereld deze aparte grammatica aanleert: maar later gaat dit van nut zijn! Over zen-analfabeten die vrij zijn van ieder verleden. Over zij die alléén nog maar Esrotira willen spreken; niemand die hen begrijpt. En over hoe iedere liefde tot een noodzakelijk beetje Esrotira verhuidt, plots beginnen mensen een woorrdje Esrotira te spreken, maar zich steeds open moet proberen houden voor de taal waarin men aan elkaar verschijnt.

    Ook daarin school reeds die erotiek. De erotiek van het eigen verleden. Daarmee bedoel ik niet stijve tepels van jezelf krijgen: het is geen zelfmastrubatie of welke identiteitsfetisj. Maar vaststellen hoe iedere streling een volgende streling oproept. Hoe iedere gegeven kus de noodzaak van een nieuw sticht. Het is je leven in alle richtingen laten uitdijen.

    Scipio liet noteren dat het leven één tiende is wat je overkomt en negen tiende wat je daaruit maakt. Kan men zoiets, los van die houding voor het nu, ook over zijn eigen verleden beweren?

    Ik moet daarom iets uit dit verhaal, het verhaal dat Gefluisterd worden heet, vertellen. Ik kan alleen maar dit verhaal geven – ik doe wat ik ben en verwerkelijk daarmee niet alleen mijzelf, maar ook al die andere stuwende krachten die nog onder het verleden haar steen liggen.

    Wat je verborgen houdt wordt de ander voor je. Wat je toelaat geeft het leven je terug. Hoe je droomt bepaalt de werkelijkheid. Nooit andersom.

    Tussen droom en daad schuilt een nieuwe droom. Waartussenin zich opnieuw daad en droom schuiven, in een keten die het geheel van je leven aanneemt. Onze dromen rijgen zich aan elkaar, naast elkaar, onder en over elkaar. Kan de daad nog volgen in alle richtingen waarin je leven uitdijt?

    Boven huizen en hoeven.

    Maandag kreeg ik via een onverwachte blik over mijn schouder oprecht te horen dat ik een mooi handschrift heb. Die opmerking raakte aan iets. Weet je, laat het dit zijn waar ik in de eerste, onzekere helft van mijn leven keihard op ben gepakt. Van gelach van andere kinderen, slechte punten voor een onleesbaar opstel, tot extra driloefeningen (door de leerkracht, door moeder of eenieder die vooral behartigde het beste met mij voor te hebben) die de banen van de standaardexpressie er niet konden inslijten. Het creëerde vooral één ding: absolute desinteresse in de taal, bij uitbreiding het onderwijs. En wat niemand in hun grote strijd met de onleesbaarheid in mij opmerkte: een gebrek aan geloof in de eigen realisatie. Akkoord, de bramen van mijn verbeelding worden wel eens geflankeerd door een kalligrafische stekel. Toch niet alle flitsen van het mentale circuit die in de grote struik van onze zelfverwerkelijking de vertrouwde vorm van zich afschudden verstillen in onzinnigheid. En de kinderlijke visioenen van een wereld die in de zichzelf zoekende, nog ontwikkelende taal verschijnen, raken het dichtst aan de eerste werkelijkheid.

    Taal – niet als voortdurend najagen van de dingen, maar taal als de ruimte waarin de dingen opgejaagd worden, als onbewust spel met vorm en verschijning. Een spel in of met de werkelijkheid? Want die flitsen verstilden tot evidente, verzwegen ankers. Afspraken van de gezaghebbers. Taal werd een tegenstander. Het vervreemde. Het spreken in ieder teken horen verstaan, mocht dat? Werd er voor dit verstaan, misschien niet in het teken maar in de interpretatie, ruimte gelaten? Of was men uit, zo ontwikkelde ik in vage gevoelens de indruk, om een bepaald soort luisteren, een eerste ervaren der dingen, af te leren? Eén waarin je het worden niet meer mocht horen fluisteren, omdat je vanaf nu een vermeende logica in de woorden moest volgen?

    Zuchtend, zoekend, zacht zijnde. Tovenaars worden geboren met het toverboek in hun hoofd.

    Vele jaren later, op de universiteit, leerde ik over het verschil tussen syntaxis en de semantiek, zeg maar het verschil tussen de regels van het schaakspel en het schaakspel spelen. Ik maak me sterk dat niet alleen vroeger deze kleine tovenaar alleen maar semantiek voelde, maar dat dit de facto voor ieder kind geldt: er is als kind, nog voor de geschreven taal, allemaal maar betekenis. Er wordt alleen maar gespeeld. De semantiek is overal. Dan stelt zich de vraag: hoe laat je speldenprikken van het geschreven systeem toe? Waar dien je de pijn toe? Waar vijst men de spanning en alle afspraken van de geschiedenis aan? Tot wiens voodoopopje word je?

    Dat er een systeem bestaat waarin we met gemak kunnen spreken met diegenen die nog niet geboren zijn, en zonder bijzondere moeite de verzuchtingen kunnen vernemen van de vergane mensheid? Het schrift kent een fascinerende 'langzame snelheid', het overwint alle tijd en ieder heden. Akkoord, het kind leeft misschien in een wereld van incommensurabele spelen omdat het alleen maar in de betekenis leeft (je merkt dit het sterkst wanneer in een gezelschapsspel het haar of zijn eigen regels begint te spelen), maar het effect van het schrift op het “nu” van die betekeniservaring valt niet te overzien. Ergens moet het aanspannende effect van die onvoorstelbaar omvangrijke disciplinering tot uiting komen. Ergens spant die gehele mensheid in gedicteerde afspraken onzacht haar handen om het vel.

    Ik vond de wereld te groot, het leven te omvangrijk, een kever te fijn om neer te schrijven. Uiteraard vond ik dat nooit in deze begrippen of indrukken die ik toen nog niet had. Ik stelde het slechts vast in de onmogelijkheid me van het alfabet te bedienen. Ik kon het niet. Het is te zeggen: ik kon het wel. Maar dit was ‘het’ niet. Er stokte iets. Er was iets fout met het schrift. Het viel niet als een deken over de eerste, enige werkelijkheid te leggen. Het legde zich tussen de flitsen van het mentale circuit. Ja, de dolfijn die altijd al rond de propeller achteraan het schip had gekronkeld was plots verdwenen. Diepte en betekenis was er al. De symbolen waren er altijd al. De semantiek is heel de wereld. Akkoord, misschien in tussen kleine tovenaars onderling incompatibele schaakspelen, maar hier was geen les voor nodig. Het kwam erop aan als kind de symbolen aan elkaar uit te leggen en dan verstond je iedereen. Hier hadden net volwassenen wat te leren. Maar dit ontglipte de gedwongen pogingen op de schoolbanken waarin het maar niet lukte. Ik werd geduwd en verplicht het volwassen spreken te leren, beloond met matchboxautootjes wanneer me het lukte, gestraft met extra huiswerk en oefeningen wanneer ik het mij niet aantrok. Maar het gelach om mijn geschrift, het extra huiswerk dat ik meekreeg of moeder me oplegde gaf me het signaal vooral niet te geloven in mijzelf en mijn eigen expressie: wij begrijpen dit niet.

    In die grote struik van onze zelfverwerkelijking ontstonden naamloze bloemen, geuren zonder interpunctie en nestelden zich introverte vogels. En misschien dat ondergronds de wortels wel sierrijker kronkelden dan onder ieder geschoold snoeiwerk.

    Wie het bange, zwakke teken voelt, in iedere neergeschreven kronkel de emanentie van het inexistente, dode gewicht van de taal op zich neemt, op die broze schouder van een letter steunt, die luistert naar de houten planken boven zich wanneer de reuzen op de bovenverdieping voorbij dreunen.
  
    Vast stond dat die bizarre tekens, die geen volwassene los van hun eigen logica kreeg uitgelegd en ik niet op uniforme wijze genoteerd kreeg, nooit hun oorsprong waren en wat ze wouden uitspreken. Dit was niet betekenis. Ik schreef het volgende woord al in de helft van het huidige. Ik schreef hoe iets klonk of voelde. Ik schreef fout. Ik gebruikte tegenwoordige tijd omdat ik toch nu over het verleden schreef? Dyslexie? Dyspraxie? Dysfantasie? Ik begreep er niets van. Later al zeker niets van grammatica en constructies die ik nooit in de realiteit aantrof. Uitgezonderd dan in die donkergroene realiteit van het schoolbord. Ik trok mijn eigen conclusies, geheel vanuit de semantiek en betekenis die ik toen voelde, en begreep voor de taal wat ik enkele jaren later als tiener opgroeiend in De Kempen over andere tieners verkeerdelijk zou besluiten: hoe weinig zij je kennen net omdat zij meenden je te kennen.

    

    Het was de afschuw voor ieder gesloten, allesverklarend systeem. De horror vacui van een grammaticale kooi. De intuïtieve huiver voor dogma’s en volwassen regels. Zelfs een kinderlijke boosheid voelde ik in die vervelende lessen waar men een onderwerp en een meewerkend voorwerp moest aanduiden. Ik wou de intuïtie en het enigma. Ik wou de spontaniteit en het stromen. Ik wou de verbeelding en de sprookjes. Ik wou de symbolen – toch nooit het meewerkende voorwerp? Dat wil ik nog steeds. Nu schrijf ik vanuit diezelfde grondervaring en noemt men het proza. Vroeger deed ik hetzelfde en hield men de rode stift boven. Een streep erdoor.

    Die rode streep op het papier veroorzaakte ook iets in mij. Het was een scheur in het bewustzijn, door anderen aangebracht in opmerkingen en extra verplichte schrijfoefeningen. Iedere nieuwsjaarbrief in het vijfvoud overpennen (mocht ikzelf niet iets wensen of verzinnen in plaats van iets onleesbaar moeten overpennen waarover toch opmerkingen gingen komen?) was een marteling. Het maakte taal tot iets verdacht. In plaats van een medestander van mijn dromen en verlangens te zijn, van mijn expressie en zelfrealisaties, leerde ik, door het snoeiwerk aan negativiteit die ik vanuit het systeem en de anderen ervoer, het te wantrouwen. Het eerste ervaren, die eerste werkelijkheid waarin alles danst – die kreeg ik niet in letters gegoten. Alleszins niet in leesbare tekens…

    Het kind weert zich, boven huizen en hoeven, weg van de vertrapping en verplichte schema’s. Weg uit het eigen huis en de verwondering. Ik had, tot ik het spreken van muziek ontdekte, als kind geen taal om in mijzelf te geloven. Ik sprak slechts in de aangebrachte schema’s – mutilaties van anderen hun disciplinering. Nu geloof ik in mijn proza, maakt het me niet uit of men mijn letters of associaties begrijpt. Ik weet dat ik het zo moet schrijven want zo verbeeldend leef, maar als kind had ik die mogelijkheid niet.

    Wat er in dat toverboek staat? De tekens vatten nooit de volledige taal. Net zoals de taal nooit de volledigheid. Net zoals de volledigheid nooit de volledige taal zal zijn…

    Wat zeg je? Realiteit is steeds het vlechtwerk van realiteit en verbeelding. Zou men een generatie kinderen toch maar dit raadsel aanleren, het zou fantastische burgers, dromers, lieve idealisten en volwaardige volwassenen opleveren.

    En je begrijpt wel wat ik hier doe. Een jongere versie van mezelf in retrospect alsnog gelijk proberen te geven. Want ik luister nog steeds naar de krakende planken boven me. En net zoals je slechts aan de hand van die hoeven het leven van die magische reuzen voorstelt, waarvan je niet weet of zij net een zachte wals inoefenen of naar het toilet rennen, zo dansen de tekens, beven de letters, walst soms de betekenis of zit de werkelijkheid met semantische buikloop.

    Zie je me daar staan? Bij die magische bramen? Het gulzige sap aan vingers en kleren en daarvoor nog een mep rond de oren. Ik kreeg het niet uitgelegd, terwijl het alfabet in mij verdampte. En het is pas nadat ik tweemaal zes verplichte leerblokken en twee maal zes verspilde jaren van geest en gevoeligheid met het grootste geluk heb kunnen overwinnen, jaren die mij niet voorbereidden op het latere leven, zoals mijn begeleiders zich steeds op de borst klopten, maar die me net volledig vervreemdden van het leven, je weet wel, die realiteit die steeds het vlechtwerk is van realiteit en verbeelding, dat ik terug, net in het woord en door ruimte te geven aan de eigen geschreven regels en poëtica, in contact kan treden met hoe het leven verschijnt. Door te doen wat in een gevoelig bewust leven de enige noodzakelijkheid is, helt die vroegere dynamiek om. Deze keer beslis ik over semantiek, heb ergens mijn tuin ingericht, zachte vogels leggen in bedden en struiken aan verbeelding een pauze aan. Misschien dat ditmaal de ondoordringbare hermeneutiek van de flitsen van het mentale circuit de buitenwereld verwart, die op eenzelfde manier niet mee kan met de beelden en associaties net zoals een kleine Jens het meewerkend voorwerp niet kreeg genoteerd. Het is het gelijk van de struiken -- eens overwoekeren zij ons. Laat de symbolen maar weerkeren.

   Het is geenszins bewust of een afrekening, maar het voodoopopje heeft dankzij de taal en haar krachtige, onuitroeibare semantiek, van haar eigen demonen een popje vervaardigd. Zo dient iedere pennestreek en het geschrevene, bij iedere realisatie en gestichte betekenis, de figuren uit mijn verleden die het geloof in de eigen realisaties de kop indrukten een speldenprik toe. Het is het walsen over Goden, de propellende dolfijn laten terugkomen, het magische toverboek openen -- en daarbij niets dan verrukkelijke leegte aantreffen.

    Het beste wat ik mijzelf ooit heb geschonken: de bevrijding van de hoeven van mijn bovenburen.

    Aan iets werken, of nu schrijven of muziek – is narratief doen ontstaan. Het grijpt over weken heen. Het grijpt over dromen, verlangens en dagen. Geef het geduld. Geef het gewoonte. En een liefdevolle tik der discipline. In contact met de waarneming, de zintuigen, maar nog niet met de taal. De wortels onder de woorden moeten groeien, in jou, onder het bewustzijn en de oppervlakte van het heden, binnen de woorden die er al zijn. Van daaruit vertrek het. Van daaruit ontstaat het steeds. Daar een kluwen doen ontstaan, tot het riet doorschiet.

    Zonder woorden treedt de taal uit haar lichaam van de taal.

    Die eerste warme voorjaarsdag. Lente in de onderlucht. De stenen van het Babbetje warmen op, laten los wat ze vier maanden in zich droegen. Zo ook het eigen lichaam, nog gepakt met die houding waarmee men zich onbewust tegen de winter keert. Dat het deugd kan doen een laagje uit te trekken, je vederen uit te schudden, in de beweging die niets doet --niets dan ontvangen--, de houding van de vergane winter even los te laten.

    De rug te rekken, een staart uit te trekken, een poot te strekken.

    Alle dieren doen het en jij legt je erbij. Je verzamelt ze rondom je; alles wat een snuit, een snavel of een neusje heeft. Een lieve kring aan zielen, aan vertrouwelingen. Wij kennen elkaar. De figuren van het Babbetje verzamelen hier, luisteren naar de kruinen, de kraaien aan de rand, de meesjes in de haag. Een specht boort zich in het hout. In een wakkere, genietende slaap leggen kippen, haantjes, poezen en de reus de verschillen af. Ook een hommel legt zich als een ooglid van de lente erbij. Hier ontstaat een midden. Zonnestralen op vederen, vacht en huid.

    In het gras zijn al langzame slakken actief-niet-actief, en hoe die tastende voelsprieten de wereld dragen. Een ruggewervelloze Atlas. Zomer in het licht, winter in de schaduw. Dus al wat leven zoekt kruipt bewust in de stralen en herhaalt wat hier al zo vaak geschreven is: al het licht dat je eens zag gaat door je.

    Wanneer de haantjes gaan slapen verstop je als verwachtingsvolle dromen zo goed mogelijk zaden en bloembollen in de grond, schupt in het vochtige leem een paar slapende prinsessen (cicaden) uit, en bergt die stille wensen op dat ook hier een bloem, leven, een braam geworden besje het licht gaat mogen vasthouden. Verstoppen in zulke perfectie zodat je daags nadien zelf al vergeten bent waar wat mag groeien -- dat het leven mag verrassen en doorschieten waar het wil!

    Ook de uil heeft de warmte gevoeld, was erbij in het midden, hoedde het enigma van de verschijning, weerkaatst als het donker is op de nog nagloeiende stenen en rekt dan even de rug, strekt haar poot, schudt de winter in haar vederen los.

         14 maart 2024