Fragmenten uit mijzelf.

    Iedere ochtend werd het luikje van het kippenhok geopend, waarop de drie kippen, steeds in dezelfde volgorde, via een plank op een rijtje naar buiten traden. 

    "De dinosaurussen? Die aten ook gewoon een boterham met kaas hoor."

     - Verklaring van de geschiedenis aan mijn zesjarig neefje. 

    Vuurwerk in spiegelbeeld.

    Oudejaarsavond als een pyjamafeestje voor twee volwassenen. Feestelijk met champagne in bed!

    Een plechtig doorgesneden burrata en de Italiaanse gesmolten smaken die daarop volgen, inclusief citroenzeste in de Portugese gebakjes en elegante rode tannine uit Puglia, werden nog aan tafel genuttigd. Smaken knallen gekleurd als vuurwerk in het bewustzijn van hun proever: daar ontploft een cannelloni, ginds het vuurpijlrood van een bruschetta, die witte streep burrata hing nog uitdovend aan de hemel terwijl het vruchtvleesroze confetti van de lychee en het-blauwe-beskes-vuurwerk de hemel onder chocolademousse intussen innamen.

    Kostuum en avondkleed uit galante stof lagen al op de vloer toen met film in bed werd gegaan. Terwijl we het vuurwerk, ditmaal het echte, boven ons hoorde knallen, werd onder de dekentjes het leven gepauzeerd en rustig uitgekeken. Iets werd er neergelegd, halt toegeroepen, de seconden vertraagd; in een jaar dat niet bestond werden de rollen omgekeerd. Laat de avond maar ontploffen in al haar opwinding en agitatie, hier wordt rustig gekeken – de angel uit het heden gehaald.

    Tegelijk er film wordt gekeken, herknalt de avond zo nu en dan in de kamerspiegel, die zorgvuldig en onder pythagorische precisie schuin in het midden van de kamer is neergezet, zodat vanuit het bed in dit astronomisch berekende spiegelbeeld de vuurwerkhemel recht voor ons oplicht. Vuurwerk in spiegelbeeld. Als verscheen de hemel voor ons op bestelling. De hemel op afstandsbediening. In een nog fijnzinniger heden. In een nog aangenamer zijn.

    Twee keer per jaar gaat hij mysterieus op zijn passanten toe, knielt, buigt vervolgens het hoofd en zegt dan: "Herlees me."

    De kippen hun bijgeloof: de horoscoop wanneer ze werden gelegd

    De beste foto is altijd de volgende. Wij leren niet kijken. Wij leren te verlangen. Het verkeerde.

    Wij zijn teleologisch ingesteld, willen onze wortels slaan in de toekomst terwijl we ons aan het volgende vastklampen. Voor ‘nu’ is geen tijd.

    Maar onze toekomst is een listige vlooi. Ze verwijdert zich iedere dag exact één dag van ons. En zo springen wij wat achterna? Het eigen verlangen? Het is als rennen in water. Je houdt geen grip op het nog ongekende, blijvende komende. En foto per foto doorblader je onvoltooid tegenwoordige tijd.

    Zoals bomen in het heden staan, roerloos stammend staan; wind, buien en dodelijke wonden trotseren, een traan laten vallen in hun bladerloze winterse aanblik, de vogels ontvangen die voor een korte pauze ben hij aanmeren, de lente huldigen slechts omwille van de lente en niet om wat volgt, zo is het meest betrouwbare net het leven – wanneer men ‘het nu’ ervan toelaat.

    Het mooiste toch steeds uitkijken – naar de teleurstelling. De beste foto is altijd de volgende, voelt men sluimerend, terwijl men verveeld zijn leven doorbladerd…

                Meanderende stilte

                Ik stroom net zoals jij en als de rivieren

                Klaar om te verspillen –

                Jouw dromen is jouw verliezen.

 

                Er ligt nooit meer of minder worden in de dingen

                En toch schijnt het beste steeds

                Nog te moeten komen, wanneer

                Wij achteruit stromen.

 

                Wie zich omdraait in het water

                Komt te vroeg naar buiten

                Net zoals jij en de rivieren

                Die het beste achter zich hebben.

    De dingen die nooit waren.

    We zijn niet naar de laatavondfilm geweest. We hebben beleefde obers geen fooien kunnen geven. Niet uit elkaars bord gegeten. Niet samen uit de fles gedronken. Niet gedanst tot de lichten aangingen. Elkaar niet ondersteund bij het naar huis wandelen. Niet doorgezakt in de cafés. Niet eens samen naar een optreden gegaan. Geen musea bezocht. Van elkaar niets bijgeleerd. Elkaar misschien niets bijgebracht. Elkaar niet beleefd.

    We verschenen aan elkaar zonder wereld. Wij kwamen wel in de wereld voor – maar de wereld niet in ons. We hebben geen markten bezocht. Niet samen gelachen om dingen die spontaan en buiten ons gebeuren. Niet gewezen in de lucht of naar stiekem leven achter het venster op het tweede verdieping. Geen roos van lachende rozenverkopers afgekocht. Geen vreemden op de schouders geklopt. Onbekend niet getrakteerd. Niet betekenisvol in elkaars ogen gekeken. Niet op de tafels gedanst. Niet naar Italië geweest. Niet in de bergen gewandeld. Geen wilde bloemen in jouw haar. Niet aan de kreken uitgerust. Geen schrammen op je schouders. Niet op een bootje rondgedobberd. Geen warme steden bezocht. Geen late avondmalen genoten terwijl de spreeuwen in de steegjes duiken. Niet bij het vallen van het donker Old Fashionneds besteld. Geen nachtelijke sigaret in het buitenland. Niet bij het naar het hotel wandelen even voor de sterrenhemel aangehouden. 's Anderendaags geen muggenbeten door de geopende balkonramen van ons palazzo. Geen lange, nachtelijke terugrit gedeeld.

    Zoveel worden ontnomen, dat niet eens was… Kennen wij elkaar wel, als we elkaar niet kunnen leren kennen? En op basis van wat trekken we dan onze besluiten? Omwille van de andere, die niet voldeed, omdat je die niet ultiem kon leren kennen, of op basis van het worden, dat ontbrak, en daarom geen nauwkeurig toekomstbeeld bevatte?

 com·pa·ti·bel (bijvoegelijk naamwoord, wederkerig)

  1 Nooit een voorwaarde tot, maar een resultaat van iets
  2 Geen plaats (noch begin- noch eindpunt) van ontmoeten, maar een richting aan ontmoeten

 

  Het is door elkaar te leren kennen dat twee mensen compatibel worden. Zij zijn het nooit –laat staan waren het al nog voordat ze elkaar kenden– maar worden het en werken er aan, indien zij ‘het verschil’ kunnen toestaan. Toch ‘de alteriteit van de andere’, zoals onze vriend Levinas dit verschil reeds thematiseerde, blijft steeds bestaan. En zo hoort het verdomme. Nooit valt deze weg te nemen. Nooit kan je ultiem versmelten. Nooit volledig verstaan. Laten we werken aan de blijvende ontmoeting van elkaar. Laten we nooit in de val van het ultieme verstaan trappen. Laten we elkaar blijvend leren kennen – en laten ervaren. Ook al blijft er iets onuitgesproken en onuitspreekbaar in ieder ontmoeten en leren kennen, daarom praten we verder. En daarom ontmoeten we elkaar. In het residu van elkaar.  

  Waarom verlangen wat je nooit kan bereiken, tenzij je een recept wenst voor levenslang ongeluk. Want het ultieme verstaan impliceert uiteraard het ultieme begrepen worden. Toch aangezien ‘de ultieme woorden’ niet bestaan omdat ultieme begrijpen te kunnen uiten, poneert men een woordloos begrip. Uitgepraat. Nog voordat men heeft gepraat. Dat men niet-alles-kan-zeggen wordt dan iets verdacht. Een fout teken. Met de vooronderstelling van een begrijpende, woordeloze ander die er enkel en alleen speciaal voor mij is maar ik nog niet heb mogen leren kennen, hoef ik ook niets te zeggen. Niet mijn problemen uit te spreken, niet aan mijn twijfels te werken. De toekomst lost het wel op in een ontalig begrip – de ontmoeting heeft alleen nog niet plaats gevonden!  

  Leren-kennen. Elkaar. Aanvaarden van het verschil en dat we elkaar niet altijd zullen begrijpen. Het is pas als ik ‘jou’ als ultiem versta –als man of vrouw, als Gorik of Sofie, blank of zwart, als Christen, Moslim of Jood,– dat ik jou niet meer versta. We zijn allemaal incompatibel. En net in het toestaan van deze incompatibiliteit bestaat de grootste vervollediging die we elkaar blijvend kunnen schenken. Geen voorwaarde om  geslaagd te ontmoeten. Geen resultaat van  ontmoeten waarop je gerust kan terug leunen. Maar een wederkerig ontmoeten in de actualiteit van wat onze Levinas het gelaat noemde.  

  Compatibiliteit is een resultaat van liefde, nooit de voorwaarde ervoor. Het is blijvend je best doen om met iets samen te vallen, hoewel je ultiem nooit volledig ondergedompeld blijft. Noch iemand bij voorbaat reeds begrepen hebben, noch het verlangen naar een verstaan dat voorafgaand aan ieder ontmoeten reeds verstaat als voorwaarde tot samen leven stellen: zo sluit je je op in de eigenste veelzaamheid. En geen begrip kan je dan nog redden.

  Maturiteit is de capaciteit zich voor het goede en slechte in ons open te stellen. Tenzij we aan onszelf geloven als perfecte mensen. Dan wordt alteriteit geschrapt door identiteit en is ieder leren kennen een overbodigheid, een ballast en omweg – een tunnel waar we zo snel mogelijk door moeten. De kauwgom aan je zool.

  Waarom “individuen” (als contrast tot het “alteridu” (sic) van Levinas) dan nog naar anderen verlangen? Als we toch al perfect zijn? Tenzij men toestaat – het verschil in de andere en de alteriteit in jezelf. Leren kennen is leren spreken. En ontmoeten, waarachtig ontmoeten, is zoals een taal die je leert maar waarvoor je geen diploma’s krijgt. Onderscheiding behaal je slechts – in het leven.

    De twijfel omdat anderen twijfelen. De twijfel omdat je twijfelt of de ander twijfelt. Die twijfel niet eens over jezelf! Hoe veel liever zou je gewoon – twijfelen. Zelfstandig twijfelen...

    Hoe niets alles beslaat. Hoe lang kan je nog het niets dragen? Tot het niets je vermorzelt en men je dan kan zeggen: zie je wel dat je benen te zwak waren. Zie je wel dat er niets was. Niemand had een idee van de zwaarte die je meedroeg. Kon je het toch maar zeggen, het niets uitspreken en al de dingen die niet waren. Kon je bezweren wat niet was, hoeveel eenvoudiger zou alles zijn. Alles zonder niets. Maar het niets beslaat alles en weegt op onze benen.

    Terwijl het niet, nooit zo was. Maar doordat je oprechtheid bot ving eens ophield met te bestaan, zal de ander kunnen zeggen: ik heb altijd al gezegd dat er niets was.