Fragmenten uit mijzelf.

Schrijversstaking. Tot zij gelezen worden schrijven zij geen woord meer neer. 

    Een zwaan weet niet dat ze een zwaan is. Het bloed bonst omhoog in haar fijne witte hals zonder ooit bloed te kennen. Tijd die niet beschreven wordt. Weken, maanden bestaan niet op het water. Tijd tikt niet maar vergaat. Die de dingen niets achterlaat. Ik drijf als een zwaan in mijn huiskamer. Leegte wordt met leegte gevuld tot er niets meer overblijft. Eigenlijk gebeurt er niets. Terwijl bloed omhoogstijgt in witte halzen.

    Zonder gedachten verder drijven. Ademen in het gevoel geen inspiratie te hebben. Vergaan, verdergaan, zoals een plant geleefd te hebben diens enige bloem is afgeknipt. Je kan zichzelf jezelf meer denken, terwijl je naast jezelf in de zetel zit, toch heb je alles in jou – maar dan verdwenen.

    De witte zwaan dobbert door de woonkamer. Ik besta niet. 

    Niet verder geraken dan jezelf te citeren. De dingen gaan niet vooruit want ze passeren niet langer door je. Niets gaat nog door je. In de spiegel staat alles stil want de dingen gaan niet vooruit. Ze blijven vast in hun enige betekenis die jou vasthoudt. Je zou willen dat het breekt. Het glas is het helderst wanneer het breekt. Maar de spiegel geeft weer - braaf en netjes wat er is. Geen flitsen en scheuren, geen brokken en scherven - niets van de fantasie en schepping gaat door je. Terwijl alles netjes blijft wat het is. Wat zou je willen breken! Kapotslaan wat is in gedachten die de dingen verscheuren omdat ze net dan het helderst zijn. Wat rest is slechts nog door jezelf bladeren, na te lezen wat eens was en dan te knikken met een bewustzijn dat niets nog kan doen dan slechts beamen. Slechts beamen... 

    Ik lijd onder mijn eigen verwerkelijking. Uiteindelijk stelt zich de vraag: hoe verder te leven wanneer dat waaruit je het meeste haalt en liefste mee bezig bent, jezelf het diepst kwetst en je in jouw doen onmogelijk maakt?

    Zes jaar heeft men uit een verlangen naar eerlijkheid muziek gemaakt, en uit datzelfde verlangen is men moeten stoppen. Sindsdien heeft men zich op zijn schrijven geworpen, maar heeft men geen idee wat met zijn boek aan te vangen. Niemand leest het, zodat men zich afvraagt: waarom dagelijks moeizaam op zee gaan vissen wanneer dat de tocht van de walvissen verstoort?

       - Juli 2019. 

    Het insomniabos.

    Zij die daar niet kunnen slapen moeten zich in het bos gaan leggen.

    Hangmatten, slaapzakken, strobalen, tentjes of boomhutten – de slapelozen liggen met opengesperde ogen en roerloze armen tussen de bomen, in het bos, in het donker en de nachtelijke geluiden.

    Een tor die ’s nachts op verkenning gaat doet het hele bos daveren. Niet verwonderlijk dat deze mensen niet kunnen slapen! Eén gedroogd herfstblad dat kraakt onder het gewicht van een luis en alle wakkeren schieten wakker, worden extra waakzaam, aandachtig en helder, bang en roerloos afwachtend voor wat er te gebeuren staat.

    Niets. Iedere keer niets. Keer per keer. De ogen rollen. Rechts. Links. Rechts. Een lichaam roerloos in het nachtelijke bos. Niets om niets. Blad om blad. Tor per luis.

    Oh, maar deze mensen geeuwen niet. Het zou die slapeloze dieren en nachtelijke insecten in hun insomnia alleen maar verstoren.

    Het geluid van de bomen (namelijk hun stam!) die ’s nachts bewegen, hun geur, hun vocht, de oogleden van het bos, deze slapelozen willen niets anders dan in hun bos de nacht doorbrengen. Daar vindt hun slapeloosheid een verklaring, een oorzaak, een reden. Ja bijna een doel!

    Pas op! Diegenen die er overdag komen wandelen krijgen boze, vermoeide, humeurige blikken en enkele stokken toegeworpen. De meest humeurigen scherpen alvast speren. Het is hun bos. Hun slapeloosheid. –De opstand van de slapelozen!– En deze slapelozen doen er alles aan het tegen de buitenwereld te verdedigen.  

IMG-4894jpg

    Het boekfragment dat niet was. 

Er is ergens een klein dorpje, Balnyata, wanneer de reiziger het juist uitspreekt, waar er iets in de lucht hangt waardoor de mensen de tijd die ze verloren hebben kunnen inhalen. Geen gezeur meer over te moeten gaan werken en intussen inspiratie te verliezen die men zou kunnen hebben maar niet had, simpelweg omdat men werkte. Geen getreur meer over verloren energie in relaties die toch niet datgene werden wat ze konden worden maar niet waren onder de last van hun verwerkelijking. Geen angst meer voor de beslissing, want de tijd en het leven die men in het niet-besliste verloor kan men in Balnyata allemaal inhalen. -- uit: De schoenen van de Sultan.

    Het loopt daar vol. Vol aan mensen. De reiziger geraakt de tel kwijt. Wat hij in Balnyata allemaal niet zag!

    Kinderen die hun jeugd heruitvinden – eindelijk weg van de schoolbank! Brave huisvaders bij hun kroost, berouwend hun dronken te veel in het café. Huisvrouwen zonder kookpotten en stofzuigers, languit met een boek in de zon. Filosofen op waterski’s. Arbeiders die bloemen plukken. Managers die uitvoerig tijd nemen voor hun vrienden. Poeslieve buurtbewoners die in Balnyata niet in scheldpartijen vervallen. Toch treft de reiziger er ook scheldende mensen: zij die al langer zaten te wachten om eindelijk eens hun gedacht te zeggen.

    Verrassend genoeg tref je ook daar, waar de mens het niet-gedane in zijn leven inhaalt,  mensen die niets doen. Hoe het kan? Mijn god hoe is het mogelijk?! Slapelozen trekken in hun nachtelijke insomnia naar Balnyata om daar hun roes uit te slapen. Het is te zeggen: er de slaap die ze nooit hadden hemelachtig te ontvangen.

    Inderdaad, want ook zij, die te veel deden, gaan wel eens naar Balnyata en steken daar dan hun middenvinger op. Naar alles, naar het leven, naar de anderen. En misschien naar zichzelf. Dit is de plaats waar zij niets doen en uitrusten – van het te veel doen dat ze deden.

    Aldus ontmoeten in Balnyata elkaar de uiteenlopendste mensen. Echter niemand is er oprecht in elkaar geïnteresseerd. Immers men is daar met een doel. Iets moet men daar inhalen, behalen en aldus leeft iedereen in Balnyata in een soort droom. In de absolute verwerkelijking van het onverwerkelijkte. In de absolute staat van Zijn. In het voltooien. Zelfs de filosofen op hun waterski’s hadden het nooit voor mogelijk gehouden. Jawel, pas op, zelfs God bezoekt Balnyata om daar de paradoxen van iedere schepping om te draaien – en paf, plots verandert alles daar, in Balnyata, waar de gelovigen van hun geloof vanaf zijn. En God van zijn aanhangers.

    Want in Balnyata hebben de mensen het ontdekt. Wie ze zijn. Het is te zeggen: wie ze niet zijn maar altijd hadden willen worden. Wie ze niet waren maar hadden willen zijn. Misschien het kind dat je niet was. Misschien de volwassene die je nooit hebt kunnen worden. Of misschien net de echtgenoot die je werd maar nooit ten volle doorvoelde onder schroom en geremdheid eenvoudigweg te zijn wie je was. Gelukkig kan je het daar alle worden.

    Alleen de dieren, vreemd genoeg, vindt men daar niet. Gelukkig hoeft het niet. De mens heeft genoeg aan zichzelf! Ten minste in Balnyata! Of toch wanneer het om diens mislukt leven gaat. En de realisatie daarvan. Daarvoor heeft hij geen andere zielen nodig! Laat staan de troost van een dier.

    Wat is Balnyata geliefd! Wat is het populair. Werkelijk iedereen is er. De zomerbars zitten daar stampvol. Zonder meer de lievelingsbestemming onder ons geplaagden. Even, wil de reiziger bijna opmerken, net daardoor haast onaangenaam. Toch in Balnyata beleeft de reiziger algauw ook de reis die hij niet had, en jongens, wat was dat een plezier. Ja, vast en zeker ontving je wel eens een postkaart uit Balnyata met inspirerende woorden. 

    Naar Balnyata trekken de mislukte schrijvers, die zich er als niet isoleren, immers dat hebben ze genoeg gedaan, maar zich net aaneensluiten, wederzijds hun niet-geschreven werken loven en ieder om de beurt buigend de Nobelprijs in ontvangst neemt, dankbaar – dat ze hun meesterwerk eindelijk gerealiseerd hebben.  

    Jezelf beter leren kennen om jezelf beter te kunnen verliezen. 

    Ergens waar je in jouw leven maar een beperkt aantal knuffels ter beschikking hebt.

    Je moet daar dan ook goed overwegen – waar, wanneer, aan wie en hoeveel knuffels geef je er. Beter gezegd geef je er weg. Want eens opgebruikt rest deze mensen slechts het affectieloze bestaan.

    Zij die de som gemaakt hebben en iedere dag één knuffel uitgeven. Zij met een aardige reserve geven een knuffel om te pesten (zo verliest de andere er een). Zij die in een knuffelbui hun hele aantal verspillen. Zij die hun vergane knuffels vergeten zijn! Zij die sparen en weigeren te knuffelen – zij hebben iets bewaard.

    Of dat denken ze ten minste. Want het probleem is dat deze mensen, net zoals elders, niet weten hoe oud ze gaan worden; bijgevolg niet kunnen weten of hun dagelijks of wekelijks voorziene spaarzame aantal wel voldoende is. Het is voor hen onmogelijk te weten of ze goed of slecht bezig zijn, wanneer ze knuffelen dat wel niet knuffelen. Het verstoort hen zeer. Verdomme! Konden zij toch maar eens goed knuffelen in plaats van steeds er over na te denken.

    Prachtige vrouwen die ijzig gereserveerd een hand geven. Kinderen die men algauw heeft aangeleerd niet te dicht te komen! Bomma’s die hun armen spreiden.

    De ironie is net dat deze mensen de intrinsieke waarde van het knuffelen, net omdat zij het willen beseffen, meestal niet beseffen. Tot ze vaststellen dat ze zijn uitgeknuffeld of nog maar een beperkt aantal knuffels ter beschikking hebben. Dan knuffelen zo spaarzaam, zo doordacht, dat ze een simpele knuffel helemaal niet meer naar waarde kunnen schatten.

    Anderen willen dan weer bewaren en sterven met nog een aardige reserve. Zij die op sterven liggen ontvangen de hele mensheid. Bij wijze van spreken tenminste, want voor sommigen, hun aantal is niet gering, is een bijna-dode knuffelen de facto een verspilde knuffel. Ach, het is nooit goed voor deze mensen!

    Het mag duidelijk zijn, wanneer zij knuffelen, zijn zij helemaal niet aan het knuffelen, maar eerder aan het turven. Een soort optelsommetje wordt gemaakt. Zoiets als het besef hoeveel geld je nog op zak hebt – deze mensen hun aantal knuffels dat nog rest.

    Men vertelt daar sprookjes over onverzadigbare magische kinderen, die bij hun geboorte in een vat vol affectie zijn gevallen en oneindig kunnen knuffelen. Zij knuffelen eindeloos. Kussen op het voorhoofd, kussen op de wang, kussen in je hals, op de schouderbladeren, kussen op de lippen en zelfs kussen op de ogen. Kussen – ademloos. Hemel, je kop begint ervan te suizen wanneer zij je omhelzen. Ach, gelukkig maar sprookjes! De kinderen weten daar maar al te goed dat zoentjes en traantjes eindig, aldus eens uitgeput zijn. Want stel dat zulke magische knuffelkinderen echt zouden bestaan – wie zou hun willen knuffelen? Aangezien iedereen er snel hun sommetje maakt blijft hun ware gave onontdekt.

    Die knuffels die je niet anders kan knuffelen: die ben je kwijt. Die knuffels die je anders kon knuffelen en daarom ook zo knuffelt: die heb je gespaard. Nooit overbodige omhelzingen of eindeloos gestreel daar, waar het knuffelen geen uiting van liefde is – maar van bewaren en controle.

    Het lijkt op het eerste zicht misschien vreemd, toch is het belangrijk te vermelden dat net daarom daar zelden of nooit conflicten voorkomen. Deze mensen vinden het nu eenmaal de moeite niet daaraan knuffels te verspillen. Immers wanneer men een ruzie bijlegt volgt een knuffel! Een verspilde!

    Wel kent men daar spijt om weggeschonken knuffels, bij mislukte relaties of vriendschappen bijvoorbeeld. De schroom ook wanneer je daar vraagt hoeveel knuffels iemand nog heeft. De nijd om iemands knuffelweelde. De afgunst om iemands knuffelachtige marginaliteit. De haat jegens die dronkaard die jou een knuffel ontfutselde.

    Jonge mannen scheppen op hoeveel knuffels zij nog over hebben en winnen daarmee het hart van blozende juffrouwen. Het is zoiets als een pauwenstaart. Twee uitgeknuffelden vinden elkaar dan weer in de soort onuitgesproken afspraak die er tussen hen is: zij weten dat ze elkaar niet hoeven te knuffelen. Samen halen zij de tijd en het verlies in – in een soort aftellen van de dagen zonder affectie of knuffelcontact.

    Het berouw bij stervenden omwille van niet-geknuffelde momenten. De spijt bij casanova’s omwille van het teveel dat ze bij het leven hebben gedaan. De verbitterden echter die hun knuffels meenemen in hun graf. De overmoedigen daar met niets anders meer dan hun affectieloze toenaderingen. 

    Na elke ontmoeting maak je er hoe dan ook innerlijk de optel- en aftreksom. Aldus vergelijken deze mensen, omwille van hun innerlijk cijfer en de maatstaf die deze onherroepelijk in het leven heeft gebracht, onwillekeurig ieder moment en ervaring van elkaar.

    Of het dat wel waard was? Al die knuffels? Of men iets heeft kunnen behalen? Het moment te veel kostte? Heden ervaren is daar nooit zomaar. Heden ervaren is daar steeds heden overwegen. Alles heeft daar zijn knuffelwaarde, zoals elders zijn prijs.

    Ja, wanneer je daar even goed overweegt, kan je altijd knuffels uitsparen. Het leven, de dingen, de eigen ervaring – alles meet men daar af aan de knuffels die het je kostte. Daar is elke dimensie van het handelen ten gronde berekend. Het is bij voorbaat bepaald.

    De zelfmoorden van mensen omdat hun knuffels op zijn. Maar ook die mensen die opgelucht zijn dat ze van het knuffelen en de ondragelijke economie die het in het leven heeft geroepen eindelijk vanaf zijn. Na heel het gedoe met de knuffels begint eindelijk hun leven.

    Want men doet er daar alles aan om knuffels te bewaren. Sommigen veinzen zelfs een lager aantal, slechts om innerlijk wat reserve te hebben. Vaak ziet men in elkaar slechts een potentiële belager. Iemand die je knuffels kost. Ja, iedereen kan daar uiteindelijk een gevaar voor zijn knuffels betekenen.

    Aldus kan men daar niemand vertrouwen. Vooral niet diegenen die men knuffelt.

    Zij hadden de slaap vergeten. Niet nodig. Deze mensen waren het met elkaar eens: zonder slaap konden ze veel meer verrichten.

    Timmermannen nagelden twee keer zoveel tafels aan elkaar. Bakkers vervaardigden dubbel zoveel taarten. Naaisters stikten dubbel zoveel kussens bijéén. Enkel de dieven maakten minder buit, nu de mens ook ’s nachts wakker bleef.

    “Nog zo’n voordeel!” kwam de gouverneur aanzetten. Voorwaar, deze mensen voelden zich veiliger nu ze ieder moment van de dag wakker waren.

    Uiteraard waren ze soms wat vermoeid, maar ook daar zag men al snel het voordeel van in. Minder geweldplegingen, minder verkrachtingen, minder fraude – voor zulke dingen had men niet langer de energie. Ja, deze mensen werden eerlijker, slechts omdat zij de slaap niet kenden.

    Men zou nochtans denken dat zij uit vermoeidheid extreem kribbelig waren, snel geïrriteerd of soms onverklaarbaar gekwetst. Maar dat waren ze niet. Door hun ontnomen slaap moesten zij namelijk beslissen waaraan zij hun energie besteden. Ruimte voor misverstanden was er niet. Simpelweg verspilling daaraan hun aandacht te besteden.

    Nu zij hun focus ontdekt hadden, volgenden algauw voorspoed, agrarische ontdekkingen en wetenschappelijke uitvindingen. Economen wreven zich in de handen. Niet waren zij van hun doelen af te houden. Astrologen wezen intussen naar boven en riepen vanop de daken, nu de mens ’s nachts uiteraard ook wel eens naar de hemel keek en die breedte zonder centrum niet begreep.

    Daar moesten dingen uitgelegd worden. Sterrenbeelden werden al snel herkent. Toch tijd voor verwondering was er niet. Te veel nadenken bleek te vermoeiend, waardoor men zich tot de zekere antwoorden van de wetenschap of die van de astrologen wendde.

    Daardoor zaten de kunstenaars zonder werk. Wie had er nog tijd hun werk te bekijken? Ook de gekken droomden niet langer dierlijk intens. En de zwervers lagen niet meer indommelend op straat. Kortom – van dat hoopje ongeregeld was men dra vanaf!

    Deze mensen in hun volwassen insomnia, hadden de oplossing gevonden voor een probleem dat sinds mensenheugenis de gedragingen en voorstellingen, kortom de expressies van de menselijke soort diep bepaalde. Het probleem van contingentie, van sporadische zin- en rusteloosheid, namelijk wat is helemaal niet zo hoeft te zijn, bijgevolg ook wie men is volstrekt anders geweest had kunnen zijn, de daarbij gepaard gaande zorgen en levenslange onzekerheid, de aan het worden inherente twijfel, of de partner met wie je samen bent wel van je hield, of het leven wel dat inhield wat het eens scheen te beloven, vriendschappen die nooit dat waren geworden wat ze moesten zijn en al die andere dingen die men in een moment van actief niets doen denkend voelt en voelend overdenkt, wel zij ontdekten het vergeten waardoor dit alles niet meer bestond.

    Net door de al-tijd die er werd geschapen, bleek er geen tijd meer over zulke gedachten en gevoelens te ontwikkelen. Men vroeg zich niet langer af. Men was er te vermoeid voor.

    Uiteraard ‘knakte’ daar soms wel eens iemand, van opgestapelde vermoeidheid en vooral van al die onbeantwoorde gevoelens en vragen die men steeds had uitgesteld en zich plots, te plots in al hun gewicht aanboden, maar daar had men een wetenschappelijke verklaring voor. Survival of the fittest. Die schakelden zichzelf uit. Zoniet wisten de astrologen wel raad.

    Zo leefde men daar in een alsmaar autocorrigerende vorm van samenleven, naar een alsmaar hogere volmaaktheid, in een alsmaar perfect wordende slapeloosheid.

                De vissen slapen drijvend
                In hun langzaam gezicht
                Want zij willen
                Eenzaam in volmaakte eenzaamheid.

                Schaduw houdt de slaap wakker
                De blutsen trillen onuitgeslapen
                In jouw lachen om vergeten
                Van koperen slagen. De voltooiing.

                Geen uitzicht is de doorgang
                Vorst achter de doorns
                Vergaan zonlicht
                Waarin de kraaien cirkelden.


      Uit: Eigen voedsel. 

    "De dinosaurussen? Nuja, die aten natuurlijk niet één boterham met kaas. Hele broden! Als zodanig waren zij heel de dag bezig boterhammen met kaas te smeren, tot zij eens van de honger zijn uitgestorven."

     - Verdere verklaring van de geschiedenis aan mijn zesjarig neefje.