Fragmenten uit mijzelf.

    Vannacht heb ik mijzelf voorbij geslapen. 

    Ergens waar de mensen een kaars branden, iedere keer ze willen nadenken.

    Je vindt daar soorten kaarsen: beslissingskaarsen, twijfelaarskaarsen of wiskundekaarsen. Poeziëkaarsen in hun heel eigen was. Kaarsen der herinnering: voor wanneer je aan je eigen leven terugdenkt.

    Hoogst eigenaardig: die kaarsloze massa in de drukke stad. Toch kijk je nauwkeuriger rondom je –op een bankje, aan de toonbanken, passend voor kledingstukken, afgeschermd achter de vensterramen in de huiskamers of wie weet wel stiekem beschut door een mantel– dan zie je die ene vertrouwde aanblik van kaarslicht.

    Uiteraard: ’s avonds wanneer het donker is of de avond valt, alleen in nachtelijke stilte, valt het denken beter op. Dat avondlijke licht uit de buren hun bovenkamer. Waarschijnlijk niet zozeer omdat je ’s avonds nu eenmaal beter kan nadenken, maar omdat deze mensen ’s avonds heel wat meer om over na te denken hebben – een hele dag en een dozijn ontmoetingen zijn gepasseerd. Je zou voor minder een kaars branden.

    Maar je vindt daar ook mensen die wakker worden, meteen een kaars opsteken en zo de droom uitwissen. Kinderen die hun vingers verbranden. Maar let op! Een gezellig romantisch avondje in kaarslicht kan daar helemaal anders uitdraaien.

    Het biedt deze mensen een groot voordeel. Begrijp het als een soort schild aan licht. Iemand die een kaars vast heeft laat je met rust. Die is zichtbaar bezig met de gedachte. Hen stoor je niet. Ook al komen helaas ook daar grapjassen of pesters wel eens voor die dan spottend iemands kaars uitblazen.

    Men heeft daar reusachtige kaarswinkels met kaarsen voor ieders gading. In alle groottes, in zak- en reisformaat, voor nachtkastjes of keukentafels, kaarsen voor op werk en maar gelukkig ook: kaarsen net niét voor op het werk. Wee diegenen die zich van kaars vergissen! Oh ja, en zelfs die voor de intiemste plaatsen: kaarsen voor op ’t toilet. Maar ook theelichtjes, drijvende kaarsen voor in bad of kaarsen speciaal ontworpen voor je laatste uren – wanneer je deze ontsteekt komt heel je leven samen.

    Universiteiten als plaatsen waar machtige kaarsen branden. De hitte in de aula’s, het zweet aan het voorhoofd van de studenten, professoren in badpak of korte broek – zoals uit hoge schoorstenen ziet men reeds van veraf dat er daar gedacht wordt!

    Het mooie daar: een kaars moet je met een andere kaars aansteken. Gedachten raken elkaar. In kaarslicht, in hun vingerafdruk aan licht. Denken is aanstekelijk.

    Toch de mensen weten daar maar al te goed dat kaarsen gevaarlijk zijn. Sommigen willen zelfs helemaal niets met kaarsen te maken hebben – ze fikken alleen maar je huis plat. Liever steken zij, oh zegen der techniek, een olielamp aan, of wachten wel tot het weer dag wordt om de draad verder op te pikken.

    Ja, voor minder dan een gedachte zijn daar al hele wijken afgebrand, en dus manen de priesters en politici daar bedarend aan vooral niet te veel kaarsen aan te steken.

    Orthodoxe monniken echter die als een soort catechese leren hoe je een kaars moet aansteken. ‘Hé wat? Een kaars leren aansteken?’ Jazeker, want ook denken moet aangeleerd worden.

    De uitdaging daar: voor denken moet je tijd maken. Het is het toestaan van het juiste moment. Onrustige zielen denken daar te pas en te onpas na, maar hun misschien krachtig aangewakkerde kaars wordt door het zachtste briesje meteen uitgewaaid. Hoe ver waait een geachte?

    Hoe graag men daar – het denken zou bewaren. De monniken daar weten: vuur bezit men niet. Je kan het enkel hoeden. Schilders vind je daar dan weer wel, die met alle moeite van de wereld een vlam nabootsen en zo toch iets van het denken op doek trachten te vatten. Grootvaders die dan weer een kaars aansteken en hun kleinkinderen toevertrouwen: geen één vlam is ooit hetzelfde.

    Vuur, oh klein vlammetje – je kan er niet ingrijpen en toch verbrand je je. Je kan het niet bezitten en toch verwarmt het je. Je zal het nooit ultiem beheersen en daarom richt het je misschien wel eens ten gronde.

    Kaarsen voor eenzame nachten. Kaarsen bestemd voor een groot publiek. Kaarsen voor prilverliefden. Kaarsen voor misgelopen huwelijken.

    Zij die 's nachts niet kunnen slapen en in hun bed liggen denken: 'Heb ik op het werk geen kaars laten branden?'

    Neurotici en huiskameridioten die bibberend hun kaars vasthouden, hun huis niet verlaten uit schrik voor het ongereflecteerde leven. Voorovergebogen wetenschappers met hun kaars aan de schrijftafel. Uitvinders met hun Da-Vinci-kaars. Grote denkers of halsstarrige paranoïci houden daar kandelaren van het denken vast.

    Kaarsen gemaakt voor mee te nemen. Pelgrims met een stamdikke, reusachtige kaars op hun rug. Marktkramers, het lijken wel profeten, die luid hun kaarsen –lees: het denken– aanprijzen, ach het is overal hetzelfde: de mensen verkiezen andere waren.

    Ja deze mensen schikken zich naar het leven: bij jaarlijkse stormen of seizoensorkanen blaast daar het volledige denken uit en storten zij zich in collectieve gedachteloosheid.

    Of wanneer het regent deze mensen geen gedachten hebben? Of wanneer de lont opnieuw aangestoken wordt zij zich automatisch bij hun laatste gedachte aanknopen? Of vergeetachtigen daar een kort lontje hebben? Of iedereen vroeg of laat zijn soort kaarsen heeft ontdekt? Of er niet eens graag geëxperimenteerd wordt in kaarsgedrag? Vroeg of laat heeft iedereen zijn gewoontes.  

    Want ja, het lijkt misschien vreemd, dat denken voor deze mensen niet zomaar of plots gebeurt, laat staan ieder heden begeleidt en het als een diamant in het licht weet te houden, dat de gedachten ons niet overvallen en bezoeken, maar denken daar steeds een beslissing lijkt te zijn, resultaat van een handeling, een overwogen keuze, een gekozen moment, toch daaraan denken deze mensen helemaal niet. Tenminste: over kaarsen laten kaarsen hun licht niet schijnen. Anders gezegd: over het denken denkt men daar niet na. Want misschien het mooiste voor deze mensen, en waarom zij daar steeds tot hun kaarsen terugkeren, is niet dan wanneer het vuur oplicht, die plotse verandering in de zichtbaarheid in dat ene abrikozenlicht, maar net dat moment wanneer je het denken uitblaast.  

                                 10 juli 2021, Brasserie Verschueren

    Hij is wakker geworden. Tot zijn drieëntachtigste had hij gedroomd, steeds gedacht zoals men geleerd werd te denken, steeds dingen gezegd zoals men die moest zeggen, steeds gehandeld zoals men handelen moest, maar nu, eens wakker geworden, misschien maar voor even, verstaat hij alles. Zozeer dat hij zelfs vergeet te eten. Hij luistert erg nauwkeurig naar anderen, geraakt gefascineerd door het simpele voorkomen van voorwerpen, wandelt wat verloren rond, herinnert zich dan gebeurtenissen uit zijn jeugd, handelingen uit zijn leven, dingen zoals men die zei –toch alle anders zoals het eens moest– de dokters knikken al bevestigend, en hij openbaart vervolgens de betekenis in volstrekt onsamenhangende zinnen.

    Zij ademen lettergrepen want woorden uitspreken duurt te lang.

    Iedere dag, dertien minuten na zonsopgang, werden de vliegen wakker.

    Moed of zelfspot? De stotteraar die gin-gini bestelt. 

    Ontmoeten tot er niets meer van elkaar overblijft dan wat we vertellen, een beeld van de andere, niet zoals die is maar hoe we denken dat die is: het jezelf aan inkt en punten.

    Een langzaam gevoel van onttovering dat tot realiteit wordt: dat de andere je niet gelezen heeft maar slechts fragmenten uit je genomen, niet ontmoet als die ene mens die je bent, maar elementen uit een context heeft gehaald om zo een partner voor zichzelf te creëren, een tegenpool aan eigen eenzaamheid, waarin ‘elkaar-leren-kennen’ slechts oppervlakkig alle tekens aftast die op het grensverkeer tussen twee mensen liggen – de codes, de mode, de gebruiken die ieder armzalig alfabet vormen waarin sinds de prehistorie mensen op een bepaald ogenblik denken de andere te begrijpen, laat staan te kennen of te vertrouwen.

    Vertrouwen is dichte lijnen blijven trekken in het elkaar van tekens en punten, van inkt tot aangezicht. Tussen de tekens hengelen, punt tot lijn zien worden, zo aan iets schrijven - een verhaal en betekenis doen ontstaan. Tot er echter niets meer overbleef van die gehengelde lijnen, dat grensverkeer tussen twee levens, de verhalen en die verknoping aan punten uit codes en taal, gebruiken en alfabet waarin in het beste geval twee mensen betekenis aan de betekenis geven, codes met codes ondersteunen, uitspraken uitspreken – of niet kunnen uitspreken. Want de paradox is toch steeds dat pas wanneer je uitspreekt er betekenis ontstaat. Pas wanneer je zegt: ik zie je graag, zie je iemand graag. Niet eerder. Het is aanwerpen en verknopen, toch sommige schepen dobberen rond zonder aanmeren. 

    Durven ontstaan en bestaan. Tot je slechts bestond, niet als die ene mens die je bent, maar als die enkeling die het armzalig alfabet verknoopte dat de andere weigerde te spreken of te verstaan, omdat de taal, de punten en de tekens te veel isoleerden. Tot de tekens en het alfabet van de voor zichzelf gecreëerde partner uitbarsten, de betekenis te buiten gingen, ze niet meer kon bevatten. De hiëroglyfen dragen de sfinx, de tekens binden het boek. En de meest raadselachtige wijsheid staat uitgedrukt in de niet begrepen tekst.

    Waarmee ik bedoel: je zou elkaar kunnen leren kennen in de onderlinge afspraak elkaar niet werkelijk te leren kennen; nooit te hengelen naar punten en van betekenis niets meer te maken dan wat ze is. Maar in dat verbod zou alweer zo'n waarheid schuilen waaruit je de andere leert kennen, dat zulke afspraak meteen teniet wordt gedaan. Elkaar leren kennen zonder elkaar toe te laten is de facto onmogelijk. Ergens breekt de onmogelijkheid uit, wil de tijger uit de gevangenschap want uiteraard is het glas steeds het helderst wanneer het barst. Dat is ook niet het probleem. Maar door gebroken glas mag je niet blijven kijken. Laat staan elkaar maandenlang leren kennen. 

    Het schijnt dat iedere keer iemand geeuwt er kort een komeet aan de hemel verschijnt.