Fragmenten uit mijzelf.

    De naakte godinnen, die de lezer er attent op maken dat zij de slapende godinnen zijn – en met een slotblik op hun zachte, inexistente borsten, rijk aan een veelheid aan adjectieven, neemt de lezer afscheid van hun transformerende gedaante.

    Tête-à-tête. Iedere zaterdagavond dekt hij de tafel om uitgebreid met één van de boeken uit zijn bibliotheek te dineren en eindeloos te praten.

    De slapende godinnen in kobaltblauwe jurken, diens nachtkledij echter van kleur verandert afhankelijk van wat ze dromen. Soms staan zij op en hebben zij andere nachtjurken aan. De slapende godinnen zijn daar helemaal niet verbaasd over.

    De slapende godinnen leven in onze wereld. Het vergt een getrainde blik hen in het dagelijkse te herkennen. Misschien zitten zij achter een loket in een goudwisselkantoor. De slapende godinnen maken edelmetalen vloeibaar – zij verruilen en transformeren, zoals de droom transformeert. Misschien kuisen zij de stallen in het circus of de dierentuin – zij kunnen de jaguars zo verliefd aankijken. Misschien voeren zij een nine-to-five job uit op het meteorologisch instituut – de maan is hun gedachte. Zij spreken de taal van de dingen zonder schaduw.

    Het oog van de dieren trekt alles naar binnen.

    Het melkachtige vlies over het oog van de dieren, hun bijzonder kijken naar die heel andere wereld. Deze wereld die wij ervaren hebben in die eerste blinde wereld van de zuigeling.

    En wat niet in deze ogen is – bestaat niet.

    De onrust die tussen de woorden ligt krijg je niet gezegd. De kleinste onzekerheid, niet over de andere, maar dat de andere je niet begrepen zou hebben, doet ons spreken met onrustige woorden.

    De namen van Josep Roth – sterrenbeelden. Zij zijn mythische semantieken, die hun eigen beloop en leven kennen en zich in de lezer gaan nestelen. Daar verzelfstandigen ze zich tot figuren die de lezer in zichzelf wil declineren. Het gebeurde reeds bij Menuchim uit Hiob, “Menuchim, Menuchim! Menuchim!” schreeuwde de lezer in zichzelf, en bij Hotel Savoy wordt dit één groot innerlijk jubelfeest. De lezer wil scanderen, die namen: De rijke nonkel Phöbus Böhlaug, de magnetiseur Xaver Zlotogar met de mystieke fakirogen, de souffleur Abel Glanz, de loterijvoorspeller Hirsch Fisch, Frau Jetti Kupfer, Taddeus Montag of de ondeclineerbare Kaleguropulos – zij zijn mythes. Deze namen nestelen zich in het bewustzijn van de lezer, deze slechts te kunnen herhalen bezorgt hem een genot. Iedere keer hij deze namen leest moet hij glimlachen, winnen zij aan kracht, aan bestaan, aan gravitetische macht. Ook wanneer hij het boek niet leest, leven zij verder en fluistert het in zijn hoofd:  Phöbus Böhlaug

    Mythen handelen vanuit namen. Dit is het bijzondere wat ze doen. Zij wekken de naam tot leven. In de mythe valt het niet te voorzien wat er staat te gebeuren, omdat de dynamiek en het gravitetische van de naam, die heel deze wereld samenhoudt, centraal staat. Het zijn deze namen die de vertrouwde structuren aanvallen: de logica van het werkwoord wordt van macht ontnomen. De werkwoorden, die doorgaans alle kracht en verklaring hebben, worden tot predicaten, die slechts iets klein weten toe te voegen aan het allesverslindende mythische subject: het nomen.

    Joseph Roth begrijpt door te tonen: het geheim van de namen. Het geheim van het boek Hotel Savoy is niet dat mensen als hiëroglyfen in hun eigen verhalende handelingen door papierdunne muren naast elkaar leven, eten, honger lijden en sterven, maar dat zij namen hebben en daarom voor de andere afgesloten zijn. Zij zijn ultiem ondoorgrondelijk.

    Iemand kennen, niet louter ontmoeten maar echt leren kennen, is diens naam toelaten om de mythologie van iedere kennismaking in vuur en vlam te zetten. Het is zoals je innerlijk de naam van een geliefde herhaalt – uit deze naam een goddelijkheid halen, een mythologie stichten, die alle werkwoorden opslokt.

    Dit is wat in Hotel Savoy gebeurt. Dit is geen verhaal. Hier gebeurt niets. Dit is het koralisch samenkomen van de namen – zoals het treffen van verschillende zeedieren, die elkaar oogledenloos voorbij drijven. De Olympus in hotelkamers. De namen op elkaar laten stoten, tegen elkaar laten aanwrijven, ze laten schuren en zien wat er in de taal gebeurt.

    Het treffende daaraan, en dit is iets wat ik in een eerste lezing van het boek, enkele jaren geleden, maar niet kon bevatten, is dat vreemde gevoel dat de lezer krijgt bij slechts één naam uit het boek: die van de ik verteller. Deze naam, Gabriel Dan, valt buiten de mythische spanning en is ook geheel in tegenspraak met de biografie van het karakter. Deze naam spreekt niet. Dit puzzelstukje valt niet te leggen. Als lezer kon ik het gevoel dat ik bij deze naam kreeg niet vatten. Mij bekroop het gevoel als werd ik opgelicht. Iets leek er niet te kloppen.

    Zoals in de dynamiek van iedere mythologie behoort de verteller nooit tot de mythe. Het is een veel te modern gegeven om dit perspectief te mythologiseren. Want daarmee brokkelt iedere naam af en vangt net de werkzaamheid van het werkwoord aan.

    In Hotel Savoy laten de mensen elkaars naam toe, behalve die ene mythe: die van de verteller. Dit liet me ooit met een naar gevoel achter: prachtig, maar iets scheen oningevuld. Nu ik het vele jaren later mij als mens de dankbaarheid toekom dit werk nog eens te mogen lezen, is dit verlangen volledig verdwenen en blijft slechts – de verloren schoonheid van een wereld in namen.

                                4 mei 2022, Le Roma, Cureghem

    De schildpad en de haas. Het leven inhalen, door het leven ingehaald worden; te laat aan de finish, de eindmeet al lang voorbij gehold. De schaduw en de gedachten, de inspiratie en de ziel, jezelf en het leven – alle te laat en te vroeg, alle falen te laat en te vroeg voor iets wat we nooit bezitten en toch telkens verliezen.

    Caleidoscopische onmacht. Het boek, dat moet gaan over het boek dat ik niet uitgegeven krijg, krijg ik niet uitgegeven. In de regenboog bestaan oneindig veel variaties licht, die buiten de regenboog niet waar te nemen zijn. Om te 'prismatiseren' en oneindig te bestaan, mag je niet buiten je grenzen gaan. Echter om te bestaan moet je buiten jezelf zijn. Versimpelen is kapot springen op de buitenwereld, je verzadigd bestaan aan licht opgeven. Ik leef in omhelzingen aan licht. En slechts bereik aan licht of een regenboog zijn, is genoeg. Je hoeft niet oneindig te stralen, te bestaan in het bestaan – wanneer niemand het waar kan nemen. 

    Ergens waar je pas kan lezen wanneer je tegelijk een dansje doet.

    Een boekenclubje is daar steeds een dansavond. Het lijkt een vreemd zicht, toch deze mensen, zowel lezers als niet-lezers, kortom dansers als niet-dansers, zijn met de aanblik van een lezend persoon erg vertrouwd.

    Kinderen die het alfabet leren, trippelend in de klas. Hinkende tieners voor hun smartphone. Volwassen die in de woonkamer walsen. Bejaarden met artrose – met aarzelende moeite lezen zij de dagelijkse krant. Priesters en het grote boek van de begrafenisrede – een foxtrot.

    Het prachtige daar: dat iedereen danst. Dat dans bij het leven én het talige leven hoort. Dat de mensen daar iets hebben om het bijzondere van de taal, los van de taal, in de verf te zetten. Dat de taal in en door heel het lichaam gebeurt.

    Je merkt het in kinderlijke, jeugdige knieën, die in hun guitige sprongen de grootste interesse voor het lezen illustreren, dat vreemde alfabet van de koele volwassen, die het bijzondere van iedere dans vergeten, niet beseffen, in de gewoontedansjes van het dagelijkse lezen.

    Dyslectische struikelingen. Gesplitste wisselpassen. Gesloten dansfiguren.

    Iedere tekst vraagt om haar verwerkelijking en kent vroeg of laat haar eigen grammatica. Een grammatica van de dans.

    Tangodansers met kaarsrechte rug, die Goethe om de synchrone schouder van hun danspartner lezen. Balletdansers in soepele, solitaire poëzie. Een plotse danser op straat – lezend de stratenkaart. Broederlijk omarmende kinderen, schouder aan schouder, die samen de Inzaë dansen en zo stripboeken lezen. Analfabeten op de dansles.

    Een avondje Don Quichot lezen: volledig buiten adem. Lezers verkeren daar doorgaans in uitstekende conditie. Een veelbelezen iemand herken je daar aan machtige dijen – een statussymbool. Orthopedische schoenen als een soort leesbril: een hulpmiddel.

    De eerst minister in een polka – achter zijn besluiten. Filosofen aan’t hakken. Economen en de Macarena. Liefdespoëzie en de vogeltjesdans.

    De Egyptenaren en hun hieroglyphentaal: archeologen die hun vreemde, dierachtige dansen ontcijferen. Een vogelachtige dans. Verliefde Egyptenaren?

    Want ook bij de dieren, de parende dieren om nauwkeuriger te zijn, vind je elementen van de dans terug, waardoor de mensen daar steevast geloven dat ook dieren de taal machtig zijn.

    Andersom, wanneer je daar iemand ziet dansen en die géén boek of tekst vastheeft, overkomt deze mensen een groot raadsel. Jonglerende circusartiesten roepen een ongeschreven bibliotheek in het leven; ijsschaatsers een woord, dat je ontbreekt. En clubbende feestmassa’s in zwetende tempels, evoceren een talig ritme dat deze mensen niet over de lippen krijgen.

    Ahnen. De rozenstruik, de klavervelden, de wilde seringen, de snelle hagedissen, de alen, de forellenbeken — wij hebben ze alle in ons. We anticiperen ze, wanneer we de lente voelen, ze speuren zonder dat ze er al is, haar aankondiging zien in de twijgen, in de kwieke vogeltjes en de blinkende vacht van de dieren. Het sap van de magnolia stijgt onzichtbaar achter schors naar boven, zo pompt de lente eenzelfde stromen in ons naar boven, in associaties en verbeelding.

    Onze gedachten als het onzichtbare sap van de magnolia’s.

    De lente wil niet bestaan. Zij wil nog een keer bestaan. In het bewustzijn van de mensen en haar ontvangers; de lente wil de ogen openen. Zij weerkaatst achter langbewimperde blikken. In dit eerste, frêle oogledenlicht —de hele hemel wordt een oog— ontvouwt het bestaan figuren, tot zij volledig in de kruinen is.

    Wij hebben niets toe te voegen! Geen trotse staarten of magnifieke hoorns, geen hoeven of uiers, geen vederen of snuitjes, geen kleuren of glanzen. De mens heeft niets om bij dit gebeuren mee in te vlechten, behalve de bescheiden opgave de schoonheid waar te nemen, de bewimperde oogleden te openen, deze gevlechte dynamiek van hullen en verhullen op te merken en zichzelf, daar stijgt het sap van de magnolia al tot in onze kruinen, zowel als toeschouwer als verzegeller van het moment aangesproken te voelen.

                Hij weet: tegelijk is de lente dit allemaal niet, want slechts in tweede realisatie. De lente is namelijk geen taal, enkel de taal van de lente wordt tot dit en deze beelden, en zo bevangt de hooggestemde wandelaar een plots bangelijk gevoel, deze lente, deze essentie —iedere essentie!—, nooit volledig te zullen vatten — het wezen in de kruinen van de magnolia’s is overal en nergens.

    Laten zien is verbergen, onthullen is begraven. De taal die de vacht uitschudt, is het medium bij uitstek om te uiten dat we elkaar niet begrijpen. Terwijl door haar realiteit en actualisering zij net de illusie schept dit wel te volbrengen; het is de lente die overal en nergens is, in de kruinen en de glanzen vacht, in de klavervelden en wilde seringen, in de meikevers en de bijen, in slechts en steeds een nieuwe oppervlakte, een nieuwe realisatie, een nieuw beeld. Nooit een nieuwe kern of essentie. Het is een nieuwe lente die zich over de vorige legt.

    Even toont het ons een bestuivende glimp: zonder taal te zijn.

    Maar uit de als een ooglid gesloten diepte, uit de essentie of ondoordringbare kern, iets in ons blijft dit vermoeden, stroomt het: het sap van de magnolia’s, de forellenbeken, de seringen onder de slaapkamer, de langbewimperde ogenblikken.

         16 maart 2022, Oxford