Het onmogelijke vertellen.
 

    “Het moment is ironisch genoeg altijd pas wanneer het voorbij is” zei de Portugees tegen het Sultanszoontje in één van zijn droomachtige reisverhalen. “Maar reizen is meemaken wat je doet”. 

  Tussen reiziger en zijn reis, ergens op de precaire as tussen vertelling en ervaring, herinnering en fantasie, begint de excentrieke Portugees aan het zoontje van de Sultan zijn reisverhalen te vertellen. Verhalen over Luaddi, de stad in de wolken. Een verslag over Riika, een land waar elke week uit een andere kleur bestaat. Herinneringen aan Zrna, een plaats waar jouw naam een cijfer is dat overeenkomt met de hoeveelheid mensen die je in jouw leven verdraagt. Of de vermelding van Halda Oà, een land waar de mensen een tweehonderd dagen slapen en slechts een tiental wakker zijn.

  Een vloed aan vertellingen en herinneringen volgen. Verhalen over een aap die eieren legde, een oma die angst had voor haar eigen pantoffels, of huizen met suiker op de daken, zodat na nachtelijke stortregens de straten niet overstromen maar vol stroop liggen waarmee de mensen ’s ochtends hun boterham smeren – de Portugees wist van al zijn reizen wel iets van het onmogelijke te vertellen.

  Maar om écht mee te maken wat men doet, is overgave nodig. Ja, het Sultanszoontje voelde zich in de reiziger zijn verhalen zo goed zoals een veulen tussen twee melkkoeien. Maar of de Sultan zich evenzeer kon overleveren aan de realiteit zoals zijn zoontje aan de verbeelding? Sultan Süleyman bleek noch Luaddi, noch Riika, noch Zrna op zijn kaarten terug te vinden.

  'De schoenen van de Sultan. Het onmogelijke vertellen' is een filosofisch sprookje voor volwassenen waarin de ambiguïteit uit de ondertitel verkent wordt: leven tussenin het vertellen dat onmogelijk is en het onmogelijke dat verteld wordt. Het is een boek dat gaat over reizen, maar meer nog over de ontdekkingstocht door de fantasie en wat ons pas tot geslaagd mens maakt: de overgave aan de verbeelding.




      De koorts van de cactusvijgen
Uit: Hoofdstuk 3, De Schoenen van de Sultan. Het onmogelijke vertellen. (verschijnt in 2021)

  Het zoontje van de Sultan, die in gouden servies zijn pap toegelepeld kreeg, beval op een ochtend de Portugees bij zich om hem reeds tijdens het ontbijt te horen vertellen.

  Enkele dienaren kamden zoals iedere ochtend zijn haren en serveerden figuren –olifanten, tijgers, een lotusbloem, een zandloper– uit gesneden persimon. Kaapse kruisbes, cactusvijgen, van die rode kleine beskes en Tasmaanse Macadamianoten werden door dienstbodes met plechtig gezicht haastig aangevoerd, terwijl onder tafel een dienaar de kleine Sultan zijn schoenen poetste. Eén dienaar veegde met een fijn penseeltje het zand van de slaap uit kleine Süleyman zijn ogen. Die moest enkel nog zijn mond openen terwijl al een volgende dienaar het gesneden fruit toestak.

  De Portugees, zoals steeds met een opgestoken papegaaienveer, stond eerbiedig naast het ontbijtende koningskind en vertelde over zijn vele reizen, het grote oceaanverhaal, weken van alleen maar water. Maar ook over de mensen in Portugal, het gezicht van zijn moeder, het dorp waar hij geboren was en hoe de kinderen in de stad Coimbra ontbeten — hoe de kinderen elders ontbeten en hoe hij tijdens zijn reizen enkele plaatsen bezocht waar de mensen alléén maar op stelten rondliepen, zelfs op stelten sliepen, bijgevolg de kinderen –die daar allemaal een exemplarisch, onverklaarbaar plat voorhoofd hadden– 's ochtends op stelten aan de appel– of perenbomen verschenen, happend naar hun ontbijt.

  Kleine Süleyman luisterde aandachtig hoe de Portugees tijdens zijn expedities elders andere kinderen aantrof, waarvan de ouders met zorgvuldigheid alles noteerden wat ze zeiden. Sommige kinderen, die bemerkten dat ze genoteerd werden, zwegen vaak met opzet. Andere deden dan weer gewoon verder met hun bezigheden alsof er niets gebeurde. Enkelen genoten er zelfs van beschreven te worden.

  “Ouders zijn daar opmerkzame luisteraars”, vertrouwde de Portugees de kleine Sultan toe, terwijl een dienaar zijn van verbazing open mond verder belepelde, “toch viel het hen vaak niet makkelijk een juist moment te vinden, zonder hun kind en de schoonheid van het spontane al te veel met hun aantekeningen te belastten.”

  Niet waren ze daar van hun notitieboekjes weg te denken, vaak verstopt in struiken of achter speelgoed. Zelfs tijdens de kinderen hun slaap zaten ze naast hun bed. Alles om de meest genegen, oprechte en authentieke uitingen op papier te krijgen.

  “Later, in nostalgische buien of herinneringszuchtige momenten”, fluisterde Visconti nu betekenisvol, “opent men daar deze boekjes en laat zijn wijsvinger over die kinderlijke taalfouten gaan. Zo doorbladert men zijn kindertijd als vreemde poëzie en verlangt men terug naar die goede oude tijd en wat men toen allemaal nog kon zeggen.”

  Het was een vreemde ontdekking. Het zoontje van de Sultan, gewoon aan de voortdurende inwilligingen van zijn jongensachtige verlangens en het leven in de sluipende verveling van het absolute bezit, moest die namiddag in de Ottomaanse maand mei, middenin een audiëntie tussen de Sultan en de grootvizier, met kinderlijke vanzelfsprekendheid het woord gevraagd hebben om vervolgens zijn vader te vragen waar »Elders« nu eigenlijk lag.

  Sultan Süleyman die op dat moment net een papyruskaart van zijn imperium en de gekende wereld voor zich had om de laatste geopolitieke ontwikkelingen van Barbarossa in het Middellands Zeegebied onder vier ogen te bespreken, knipperde even met zijn kenmerkende, fijne lange wimpers maar wist niet meteen wat te antwoorden toen zijn zoontje hem bovendien ook nog smeekte »Elders« op de kaart van het rijk aan te duiden.

  Soms vinden de meest argeloze gedachten de grootste weerslag. Hoe zo’n onschuldige vraag de Sultan zijn eigenwaarde kon doen kelderen? Sultan Süleyman, de bewaker van het Oosten, een man van macht en aanzien, Sultan van het grootste Ottomaanse imperium ooit bestaan, een man van roem, van veroveringen en veldslagen, van successen en zakelijke relaties, van avondlijke diners en loyale vrijgevigheid, van een hartelijk hoekig glimlachen en warme handdrukken, hij, die als personeel een schildpadtemmer en een persoonlijke sinaasappelpeller bezat, bezitter van de meeste olifanten ter wereld, kortom hij, de uitloper van de geschiedenis, was zichtbaar niet opgezet met het misschien onschuldige maar in het bijzijn van de grootvizier subversieve vraagje. Aangetast in zijn macht en in zijn handelen, kortom in wie hij was, wist uitgerekend hij zijn zoon niet meteen van repliek te voorzien.

  Toen die merkte dat vader aarzelde, moest hij hem verteld hebben over magische kinderen waarvan men alles noteerde, mensen die er op stelten leefden, op stelten ontbeten, op stelten voortplantten, ja zelfs sliepen, en vrouwen die op stelten van baby’s met platte voorhoofden bevielen — “Aldaar de oorsprong van bevallen!”, beleerde hij nog zijn vader, die knarsetandend van onder zijn wenkbrauwen opkeek maar toch vooral in aanwezigheid van de grootvizier verlegen was »Elders« op de kaart van zijn imperium niet te kunnen lokaliseren.

  Een volwassen glimlachen kwam tussenbeide. Het zoontje werd bevolen de grote mensen niet te storen en Sultan Süleyman besprak vervolgens verder met de grootvizier de laatste ontwikkelingen in West-Azië en het Middellandse Zeegebied.

  De Sultan, die late namiddag overvallen door een plotse migraine, stond 's avonds voor het venster als voor zijn eigen leven, ergens in het vierde hof van de serail. Nog diezelfde middag had hij de cartografen, geschiedkundigen en ontdekkingsreizigers van zijn rijk bevolen hem uitvoerig over »Elders« te berichten, toch hun antwoord bleef uit. Zelfs de astronomen werden geraadpleegd. Het stond zelfs niet eens in de anders zo betrouwbare sterren! Wie was die Portugese leraar naar wie zijn zoontje vurig verlangde? En vooral, wat vertelde hij? Berichtte hij over onbestaande provincies? Over volken die hij niet kende? Een wereld buiten zijn rijk en weten?

  De Sultan knipperde onrustig met de oogleden. Hadden ogen kunnen ademen — de zijne waren astmatisch gewezen. Ogen zoals de laatste vijgen aan een boom... Om zijn temperatuur te nemen leunde zijn handrug even aan zijn voorhoofd. Stille lucht. De dingen leken zo dun. Van op het binnenplein van het paleis galmde het geluid van twee zebra’s hun avondlijke hoeven na tot in de holte van de Sultan zijn hoofdpijn, en met gevoelens die als onafgesloten gedachten verschenen sloot hij vervolgens met sensibele, zwakke hand het gordijn. Achter gesloten gordijnen bleef hij echter nog even staan en luisterde in dat naamloze rood waarmee men de ogen sluit verder naar zijn avondlijke, zich van hem vervreemdende stad; een heden waarin het geluid van paardenrennen, de mizmar en kanun, de verre zilveren dolfijnen uit de Bosporus en de takkende zebrahoeven in elkaar samendrongen.

  Uiteindelijk sloot zich in dit geelrode gedempte migraine licht dan toch de gedachte: in het leven wil men geen antwoorden krijgen — men wil de vragen vergeten.



  Bannkjòr-Lopi is een plaats waar men gesprekken verkoopt. 

  De reiziger vindt het fantastisch! Verlegen mensen hoeven zich niet langer te schamen – met een extra fooi geraken ze er vanaf. Verliefden hebben geen angst meer eens uitgepraat te zijn – het stond allemaal reeds in de profetie van hun winkellijstjes. 

  De rijken – je herkent, hoort ze in Bannkjòr-Lopi meteen. Zij hebben iets te zeggen. Tenzij natuurlijk diegenen die sparen. Of de meest fortuinlijken, die hun gesprekken met de rente betalen die ze op hun spaargeld verdienen. Toch hun gesprekken zijn saai, beredeneerd en spaarzaam. Zelden vind je bij hen afwisseling. 

  Bij vrijgevigen daarentegen hoor je bijzondere dingen. Echter ook soms nutteloze aankopen. Zij die net een serieuze som geld buit gemaakt hebben, kramen vaak de vreemdste dingen uit. 

  Relaties die er stuk lopen: men ziet er de zin niet langer van in nog meer geld uit te geven. Of ongetwijfeld het mooiste beeld uit de straten, zichtbare poëzie die de reiziger zich uit Bannkjòr-Lopi herinnert: twee bejaarden die samen arm blijven. 

  Stotteraars die in Bannkjòr-Lopi hun geld neurotisch en nerveus samentellen. Marktkramers die roepend in één woord hun koopwaar etaleren. De reiziger in Bannkjòr-Lopi met souvenirs en vreemde woorden uit het buitenland. Nachtwinkels voor dronkenmanspraat. 

  Mode-praatjes en solden-gesprekken, gesprekken die aangeprezen worden en korting genieten, gesprekken die men overal wel hoort: het zijn de dagelijkse aankopen uit Bannkjòr-Lopi. Helemaal anders zijn die unieke aankopen: gesprekken over jaguarvellen. Giraffenschenen. Gespreken over buitenaards leven. Je vindt er werkelijk alles. 

  Eén-kopen-één-gratis-praatjes of erotische aankopen voor achttien-plus. Vervallen gesprekken om gratis mee te nemen. Antiquariaten voor zij die graag archaïsch praten. De kinderen in Bannkjòr-Lopi dan weer met hun eigen valuta. De armen en hun woordenstilte. De gekken en hun onbegrijpelijke aankopen. 

  Wat in Bannkjòr-Lopi het meest valt aan te bevelen: niet te weinig geld hebben zodat je er niet te veel over moet mijmeren, toch evenzeer niet te veel bezitten zodat je er eveneens niet over zeurt. Gekend is dan ook het adellijk gepraat, de beurzen en hun gespeculeer. Of die figuren die op het einde van de maand hun laatste gesprek bijeentellen. Of goed verstopt in donkere voorstadhoekjes: zelfmoordwinkels voor laatste woorden en afscheidsbrieven. 

  De sprakeloze zonder geld in de winkel, die breedgebarend en wijzend wil vragen of hij morgen kan betalen. Of die enkelingen die het gewone waartoe ieders leven wordt niet kunnen verdragen en maandelijks naar winkels gaan waar men absurde fantasiegesprekken verkoopt. 

  Speciaalzaken voor academici en geleerden. Speciaalzaken voor mopjes en grapjassen. Speciaalzaken voor verliefden – daar valt geld uit te slaan! Speciaalzaken voor vrijgezellen – daar haalt men nog meer geld uit. Speciaalzaken voor zij die overspel plegen – een luxegoed. En ja, ook daar betaal je in Bannkjòr-Lopi voor: speciaalzaken voor zij die hun relatie willen stopzetten. Zoek daar maar eens de juiste woorden voor. 

  Waar de dichters hun poëzie kopen? Vreemd, de reiziger kwam er tijdens zijn bezoek aan Bannkjòr-Lopi niet achter. 

  De zondagse eucharistie waar ze met de schaal rondgaan en er de preek van volgende week mee samenstellen. Ouders die sparen voor hun zoon of dochters' eerste woordjes. Stratenverkopers en sjoemelwaar aan de grenzen. En ’s ochtends in Bannkjòr-Lopi vrijgevigen die verstomd wakker worden en niets meer in hun zakken hebben.