Fragmenten uit mijzelf.

    Rechtvaardigheid. Een slaap-hiernamaals, waar je na je leven naartoe gaat om er de slaap die je in dit leven ontnomen is in te halen.

    Hoe leert iemand kijken – naar de bomen, in poëtische kruinen, naar het kuiltje in iemands wang, naar een hand die een pagina omdraait. Hoe weet je wat je moet zien wanneer andere kijken? Wanneer werd zichtbaarheid bepaald, en daarmee het onzichtbaar zijn van zoveel andere dingen?

    Hoe leert iemand vergeten – van de poëzie in de bomen, van glimlachende wangen, van de belofte van een vlucht ganzen tegen de ochtendzon, van de volledigheid van de achterpagina?

    Het glinsterende vloedwater van de zee, de rossige lokken van een juffrouw in septembers licht, de bewegende wijzer van een uur zijn alle reeds de achterpagina. Ervaren is vergeten zijn. Ervaren is omdraaien. Ervaring is reeds omgedraaid. Wij schudden de dingen. Uit de kinderen. Een wereld wordt op maat versneden. Kennen is geloven dat je niet gelooft.

    Er grijpt een hand in ons. Plots zit er geel in de bomen. Soms word je zelf even omgedraaid, lijkt de vlucht ganzen, het kuiltje in iemands wang, het septemberse bronzen licht jou aan te kijken en al het onzichtbare in jouw zichtbaarheid.

    Ergens waar de mensen met wachten betalen.

    De prijs van iets is de inwilliging ervan. Simpel: wil je daar iets, moet je erop wachten. Wens je jezelf iets kostbaar, ben je uiteraard meer tijd kwijt. Vrij zijn deze mensen. Vrij zijn deze mensen alles te willen. Toch niets is daar zo kostbaar – als het leven zelf. Dat wil daar zeggen, de volledige tijd van het leven zelf. Je kan het niet overbieden. En het is deze tijd waaraan deze mensen hun verlangen en willen afmeten.

    Wachten op een glas melk. Wachten op een paar wortels. Wachten op een kleurpotlood. Wachten op snoepgoed of naald en draad.

    Jong en oud doen het. Het is een soort valuta die de mensen samen delen en hen niet onderscheidt van elkaar. Daar geen armen en rijken, enkel volhouders en minder verveelden…

    Flinke kindjes braaf op een stoeltje. Ongeduldige kindjes die men vergeefs de waarde van de dingen, wat daar niets anders dan de waarde van de tijd is, leert. Verwende kindjes die alles, of toch veel, krijgen – is dit daar überhaupt mogelijk? Het is twijfelachtig. Wel vind je daar ouders die in plaats van hun ongeduldige kinderen wachten. Het is geweten – ouders hebben zelden tijd.

    Boeren zitten op de stoep en wachten – op een nieuwe schop. Wielrenners in tenue rijden lek en wachten braaf op een nieuwe tube. Mannen die een half jaar voor hun toekomstige bruid op een stoel zitten verwachten – een ring aan goud.

    Vriendschappen die elkaar iets schenken worden daar gekenmerkt door het wachten, niet dat voor jezelf, maar voor iemand anders. Het is de meest genereuze tijd.

    Het lijkt voor ons absurd, onmogelijk, dat dit systeem van niets-doen werkt en bestaat, toch de wereld waarin we leven kent overvloed. Er is genoeg voor iedereen – en ‘het alles’ van de realiteit heeft daar een eerlijke verdeelsleutel gevonden. Het ideaal waar het socialisme steeds van droomde ligt niet in de maatschappij maar in het lichaam, niet in de materie maar in het bijzondere van de mens zelf: dat de mens in de tijd en de tijd in de mens is.

    Het schijnt daar dat vroeger, eens, een samenleving met een heel ander soort kapitaal leefde, die betaalde in geld en munten, kapitaalstromen in briefjes en liquide stortingen kende. Op de restanten van deze op hol geslagen wereld is deze plaats gegrondvest. Men vindt daar dan ook geregeld waardevolle of absurde voorwerpen terug – maar of deze mensen het de moeite vinden daarop te wachten?

    Je denkt het misschien niet, maar uiteraard doen deze mensen nog andere dingen dan wachten. Stel je voor! Dit is net het geheim wat hen verbindt. Werken of landbouwen bijvoorbeeld, lesgeven of vervaardigen wat ze willen. Maar, en dit is belangrijk, ze moeten ervoor kiezen. Ze moeten iets doen. Wat is om het eender. Met hun vrije tijd kunnen ze dan betalen

    Aldus kan men kiezen om zichzelf vorm te geven: immers de mens is niet enkel in, maar staat ook open voor de tijd. Hij kan die vormgeven, iets uit zichzelf maken, plannen en zichzelf ontwikkelen – en het is met diezelfde realiserende tijd dat men betaalt om dit te ondersteunen. Wachten en het heilige niets doen als sleutel voor zelfverwerkelijking.

    Het grote verschil door deze economie van het wachten in plaats van een economie van het geld ligt daar in het volgende verlangen besloten: mensen willen zich niet van elkaar onderscheiden, mensen willen zichzelf. De valuta heeft daar een andere werking, wordt anders aangewend, waardoor men noodzakelijk op minimalisme en uitzuivering van het verlangen uitkomt.

    Het maakt deze mensen bescheidener en tegelijk zelfbewuster. Niet alles kunnen hebben is geen meritocratische aangelegenheid van nog niet genoeg hebben, maar een gevolg van het leven zelf: je hebt eenvoudigweg de tijd niet om op alles te wachten. Zelfs het kleinste kind begrijpt het – misschien niet ‘nu’, maar na een uurtje wachten ten minste. Niemand wil het zelfs. Het idee zou te gek zijn om in hen op te komen. Het is fantastisch. Deze valuta van het wachten verplicht deze mensen te willen wat ze willen. In dit eerlijkmakend minimalisme van het verlangen vinden zij zichzelf. Ze leren wensen. Ze leren willen. Ze leren zichzelf kennen.

    Niet verstrooid over overvloed, niet ondergedompeld in imitatie en schijnbehoeften, niet de teleurstelling van iets bereiken om het dan niet meer te willen, de eindeloze onzin en geïmiteerde verlangens om erbij te horen, het gevoel slechts om het gevoel te voelen kent men daar niet. Onze tijd is beperkt. Zo ook de liquide middelen. De absurditeit meer te kunnen dan men kan, heeft eens den boel in brand gestoken en tegelijk het vuur van de mens gedoofd.

    Uiteraard doven deze mensen daar zelf ook wel eens uit. Iedereen kent daar verspilde momenten en verloren wachttijd. Niets is daar zo beschamend als aan een vriend een cadeau terugvragen. Gescheiden mannen berouwen zich het half jaar dat zij aan hun ring hebben verspild. Een restaurantbezoek dat de moeite niet was kostte deze mensen een heel avondje. Kinderen geraken eens hun speelgoed beu – toch nooit zo dikwijls als bij de voorvreugde van iedere verwerkelijking. En zelfs als dit daar gebeurt, sterkt dit hen slechts nog beter en geschikter zichzelf te willen, in de metaforiek van deze tijd-valuta zichzelf vorm te geven.

    Deze mensen kennen geen verspilling. Dit voelt daar te veel aan alsof men iets van zichzelf verliest.

    Heeft het daar misschien te maken met de psychologische irritatie in een wachtrij te staan, de confrontatie met andere wachten en hun onuitgesproken levensdoelen, de leegte van het zijn plots te voelen, het overbodige van het willen dat zich dan aandringt – de plotse huiver over het absurde van het bestaan? Een wachtrij werkt daar zuiverend: het scherpt het verlangen aan en doorzijgt de mensen. Plots stellen zij vast dat zij helemaal niet in de wachtrij willen staan! En in dit borende gevoel dat de wereld en het verlangen uitzift, treffen zij zelfbewuster als in de betere paradoxen aan: zichzelf.

    De markt bestaat dan ook aan rijen aan wachtenden. Mensen die voor een appel of een ei even met de vingers staan draaien. Tja, het zijn de wekelijkse boodschappen die er bij horen. Niemand omkomt er aan.

    Men kent daar dan ook machtige wachtzalen. Een soort valutaruimtes waar het wachten, de prijs van het lichaam, woordeloos ingewilligd wordt. Kathedralen aan tijd.

    Op sommige dingen wacht je een heel leven. Die krijg je –tragiek van iedere samenleving– wanneer je ze niet meer nodig hebt of kan gebruiken. Bejaarden op jet-ski’s bijvoorbeeld.

    Andere dingen komen dan weer direct en zijn voor deze mensen een ongelofelijke vreugde. De aanraking met zachte schoonheid. Een kwiek vogeltje landt even op tafel. De wind in poëtische kruinen. Water stroomt uit een berg: momentaan geluk. Ze hebben er niet om gevraagd, ze hebben het niet gewild en toch gebeurt het. Het is het wonder van de dingen.

    's Zomers willen de mensen een weekendje naar zee en staan dan vervolgens uren in de file. Geen mens stoort er zich aan. Ze willen dit en vinden het heerlijk.

    De dans van de scarabeeën.

    Ook in deze bizarre avond, deze avond met schrijffouten en dubbele R, deze avond met gastvrijheid naar de eenzaamheid toe, deze avond waarin ik mijzelf niet voel, en daarom oh zo vreemd voel – ook in deze avond voel ik de afwezigheid van de brieven, van de planeten die mij persoonlijk aanschreven, van brieven onderweg naar mij…

    Men wordt ouder en maakt daarmee ieder “vroeger” slechts onmogelijker, terwijl datzelfde vroeger op een stille, sleepvoetende manier tezelfdertijd absoluter wordt. Als leek je jeugd meer een leugen dan een werkelijkheid die ooit bestond. Het enige wat blijft is kille inductie: omdat je nu bestaat moet je wel voorstellen dat we een vroeger gekend hebben – zo weet men zijn verleden. Men vooronderstelt het. Het zit niet in de logica van ons denken waarmee we het heden waarnemen, maar in de zelflegitimering van het bewustzijn ervan. Bewust waarnemen vooronderstelt een verschil, een afstand van vorige, andere, eerdere bewuste waarnemingen.

    Dat herinneren daarbij iets actief is, komt zelden in iemand op. Men doet meestal slechts alsof het verleden “is”, probleemloos eenduidig is, even klaar en duidelijk zoals we de helderheid van het nu waarnemen. Immers – het is uit dezelfde, heldere waarnemen ontstaan. Verleden als die reeks, die voorbij is. Zo zijn iemands herinneringen: de verhalen die men over vroeger vertelt en waaruit iemand kristalliseert tot wie hij is. In dezelfde helderheid als men rond zich kijkt en duidelijk aantreft, zo kijkt men naar zichzelf en de verhalen die vroeger gebeurd zijn.

    Dat dit slechts één verhaal onder de zovelen is, kan men niet geloven, want zou volgens diezelfde inductie vooronderstellen dat wie men is helemaal niet absoluut is – slechts een constructie. Eén leugen onder de zovelen? Hoe dit iedere, huidige helderheid van het huidige waarnemen tegenspreekt! Aldus denkt men dat men één verleden heeft. En meestal herinnert men nog als volgt: dat wat mooi was in zijn jeugd plaatst men in de bezemkast. Dat was slecht gelopen is zet men in een museum. Alles voor dat ene verhaal…

    De waarheid is niet gangbaar. Wie biograaf wordt verplicht zichzelf tot de leugen. Ga met jezelf te werk, zoals iedereen, glijd van de rug van de tijger, en wie het aandurft met een uitgetrokken witte snorhaar zijn verleden te schilderen, in heilige verzonnen kleuren, die bezit zichzelf – voorbij iedere waarheid. Die vindt zichzelf. Uit. Al het andere is afval meedragen.

    Ik schrijf mijn dagboeken en deze aantekeningen in de stilte die volgde en bleef. Ik blijf wachten, gevat in alles de ritselende snorharen van de tijgers te horen. Ik schrijf op dit nachtelijk fosforescerende papier –ik niet, ik wel– zoals je een bloem zou plukken ga ik mijzelf in mijn dagboeken in oscillatorische gedachten af, tussen mijzelf en mijn verleden, de droom en mijn vroeger zelf. Tussen Ivan Pasha en het leven. Hoeveel is gebleven? Hoeveel blijft? Wat is verdwenen, in het verdwijnen verdwenen, is het zoek van de brieven en mijn moeder, die niet meer glimlachte…

                                Uit: Gefluisterd worden 

    De mestkever rolt zijn balletje verder. Dagelijks een essentie te bepotelen groter dan zijn wezen. De mestkever kent geen taal. De mestkever begrijpt jouw vragen niet. Bewegen in een naamloos doel zonder richting of centrum. De mestkever rolt geen vraagteken verder. De mestkever heft de planeet op.

    Of de eksters, die het glanzen van de zilveren lepels kennen, het kunnen begrijpen? Of de scarabeeën, die vertrouwd zijn met de geheimen van de Farao, in de lach schieten?

    De mestkever die dankbaar de armen spreidt. De mestkever die onuitgeknuffeld geraakt. De mestkever in een gevoeligheid, die niemand begrijpt.

    ’s Avonds net voor het slapengaan treft de fortuinlijke mestkever nog wat aangekleefd lekkers aan zijn voorpoten, en prijst zich dan gelukkig over het overvloedige vuurwerk van het olifantenbestaan.

    Je ligt op strand of zit ergens aan een tafeltje, alleszins in de schaduw aan de Adriatische kust, kijkt afwisselend van de kust naar de blauwe geografie van een wolkeloze hemel en in het houten oranje van een malvazija, een lokale wijn. Zoals de naam A en Z semantisch verbindt, het eerste en het laatste, verdraait de wijn in het glas hemel en zee, onder en boven. Planeten zinken naar de bodem en hoge zeeën worden tot een hemel om naar te smachten. Blauw en licht wordt oranje koper. Een vloeibaar lichtbruin oog in de hand, dat ondersteboven meeloert wanneer je even met je glas draait. Nip je aan je glaasje verdooft je kop door haar doorsijpelende, vermenigvuldigende ogen. Spiritus is toveren. Spiritus is oogledenzacht. Spiritus is de hemel verdraaien.

    In deze wijn als dromen van koper wordt zachte heide scherpe natuur, vlakke bergen hoge zeeën, de zoete meren één zoute zee, de Alpen Adriatisch, hars in de dennen warm gezouten wier. Niet het atlas, maar het register bij het atlas wordt verdraaid. Hef je je glaasje, een anker aan licht, zie je de zachte spoeling van de meren. Haast heb je de glanzende vacht van de dieren. Kijk je opnieuw naar de zee speur je hoe het aandragen zout van verre oceanen je zenuwen afschuurt.

    Oh, jij houdt wel van die zwempartijen in het zoutvat. Een slankschuwe, blinkende vis in het bijtende, de manoever door de tillende handen in het water, een levenslange Trojaanse oorlog op je huid. Vreemd genoeg, na een zwemmetje in de meren, voelt je huid soms te zacht aan – zo, als kon je je snijden aan water. Dan maar het vloeibare zuur, de eindeloze beweging van de golven, de pendel van het vloeibare uur, hoge zeeën weergalmend in de ziel.

    Volgt een nieuwe kwartslag, de avondster reeds in de bodem van het bijgevulde glas, tovert de amberachtige kleur van de wijn de oranje schalen van de Sultan naar boven, waarin hout, hars en geknipte haren worden uitgerookt, waaruit visoenen van diagonale godinnen waaien en een prachtige droom in koperen tranen over je grootvader.

    Nachten zonder maan. De nabijheid van de kosmos is zoek. Het verdwijnen van het afwezige, verdwaalt tussen de bergen – ergens tussen de registers van de verdraaiing gevallen. Misschien als abrikoos aan de bomen. Misschien als zachte amandelen of een vijg aan de struiken. Een proost op Neptunus volgt. Veranderingen onder invloed van grote rivieren, bergketens of zachte meren liggen sluipend in de ziel. Spiritus wakkert even de boel aan, legt visoenen van de wereld in je zinderende onderarmen, smijt een lucifer rondom je, doet je armworstelen met de goden.

    Elementen willen uit zichzelf bevrijd worden. De beweging ondergaan. In een andere toestand of register verschijnen.

    Het water wil regen, naar hogere luchten getild worden. De regen wil vallen, de rivier uitmonden. Maar ook het zand wil spoelen, misschien gesteente zijn. De berg een handdruk aan zout geven. De tomaten tot soep getransformeerd worden. De lucht tot zuurstof. Metaal tot schoonheid. Een zaadje tot bloem uitgroeien.

    Zulke veranderingen mogen getuigen, is dankbaar mens zijn. Kleine zachte aanraking met het geluk volstaan. Zij vergen een staat van bewustzijn waarin men het heden met een eerdere toestand, die wij als ‘het verleden’ thematiseren, kunnen vergelijken. Dit lijkt kinderspel. Toch de moeilijkheid is: je moet in het heden zien om in het verleden te kijken. En hier dringen de beelden onder de dominantie van de dingen elkaar voor. Want in de wijn proef je toch steeds de wijn, nooit de vorige zomer. In de regen schuw je niet de oceaan. In het zout proef je niet het verlangen van de bergen.

    Tegelijk duurt het verleden voort. Om het proces van die duur te beschrijven, zou een heel nieuwe tijd nodig zijn, gelijk aan de tijd van ons leven. Deze extra tijd volledig uit te spreken is onmogelijk, en in iedere samenvatting voel je: dat je nooit recht doet aan de dingen, het wezen van het worden en het wezen van het verleden – die beelden die telkens voor elkaar dringen. Zouden we hieraan wel recht doen en een soort allesonthouder of allesuitspreker zijn, zouden we niet leven, enkel het verleden laten voortduren in een totalitair, angstig heden.

    De onmacht om je eigen verleden ultiem uit te spreken is een zegen. Immers de dingen willen uit zichzelf bevrijd worden. Maar eens vastgelegd en geweten, eens uitgesproken -of nu je verleden of heden- ontneem je jezelf iedere mogelijkheid opgetild te worden, te vallen, te spoelen of tot gesteente te worden. Maar wij willen, zijn het meeste mens wanneer we handdrukken aan zout geven of tot bloemen uit kunnen groeien!

    In de blinde vlek of zulke restonbepaaldheid kruipt onze vrijheid. Wie we het meeste zijn blijft steeds ondergedompeld, en wordt tegelijk vergeten, toegedekt net omdat we talige wezens zijn. Kijk welke beelden in de taal voor elkaar dringen. Niet dat wat reeds is verteld en in een keurslijf is gestoken. Niet dat wat we denken te moeten vertellen om onszelf als vrij te presenteren, maar dat wat we van onszelf niet kennen en steeds op het tapijt is weggevlogen – daarin schuilt een ontmoeting. In elkaar en het in leven uitmonden, de beweging ondergaan, even in een ander register verschijnen en, maar voor heel even, de taal van de wereld en jezelf gevonden te hebben.

    Opnieuw een prachtige droom over mijn grootvader! Deze keer niet ontwakende met koperen tranen, maar met Cureghems geluk. Deze keer in zijn huis zelf, in de Jozef Hermanslei, te Mortsel, dat middenin enkele wijnranken ligt. Het enige, laatste stukje groen in de stad. Een vervallen villa volgestouwd met boeken. Mijn grootvader is oud. Mijn grootvader ligt zorgbehoevend in bed. Mijn grootvader is dementerend-bewust. Mijn grootvader dwaalt. Mijn grootvader wil thuisblijven.

    Het is een prachtig domein. Het is een prachtige droom. Mijn grootvader, slaapwandelaar in mijn dromen, voelt heus wel wat er op til is. Mijn moeder is erbij, en mijn oudste zus, en enkele bekenden, die dan weer niet opdagen. Jazeker, het verzamelen van de mensen verraadt onraad. En ik maak me zelf schuldig aan deze, want ook ik nodig mensen uit om de pracht van al deze boeken, deze magische plaats, deze vervallen tempel te kunnen ervaren. Mensen, een meisje, jaren niet meer aan gedacht, die dan weer niet opdaagt. Dus ga ik maar wandelen tussen de wijnranken en de bramenstruiken. Hemel wat voel ik me op dit vervallen domein goed!

    Ik, bij terugkomst, die mijn grootvader, tot tranen toe geroerd, in zijn Romeinse, euh ik bedoel Mortselse ruïnevilla geruststel dat we zijn bibliotheek niet opdoeken. Dat »hij« niet weg moet. Dat hij mag sterven tussen zijn boeken. Want ja, deze bibliotheek en mijn grootvader zijn identiek, kop en munt, boek en kaft, mens en leven. Dat hij ergens kan verdwijnen zonder ooit het exacte einde te weten. De dankbaarheid van deze mens, dat hij mag bestaan tot dan wanneer het genoeg is, zonder ingrijpen van andere handen die zijn boeken toch nooit zullen begrijpen. Eens verzekerd van dit genoegen help ik hem met het bricoleren van een reusachtig slaapbed, misschien wel de grootte van een padelveld, waarin hij mag dromen hoe hij zelf als kleinzoon op het domein van zijn grootvader ronddwaalt, de belofte van een dromerige generatie bewarend, stroomopwaarts in tijd, visoenen en dromen…

                                Brussel, 23 augustus 2022